Getypt statistisch verslag (waarschijnlijk een pagina uit een jaarverslag van de Amsterdamse Dienst van het Marktwezen).
Origineel
Getypt statistisch verslag (waarschijnlijk een pagina uit een jaarverslag van de Amsterdamse Dienst van het Marktwezen). Betreft de verslagjaren 1940 en 1941. -9-
| Markten | Aantal halfjaarplaatsen | weekplaatsen | dagplaatsen |
| :--- | :---: | :---: | :---: | :---: | :---: | :---: |
| | 1940 | 1941 | 1940 | 1941 | 1940 | 1941 |
| Nieuwmarkt | 23 | 6 | 3.775 | 2.935 | 6.110 | 3.158 |
| Waterlooplein | 23 | 20 | 9.575 | 7.040 | 15.685 | 9.960 |
| Dapperstraat | 85 | 70 | 7.051 | 4.150 | 7.260 | 6.047 |
| Albert Cuypstraat | 41 | 31 | 13.980 | 13.533 | 19.343 | 15.456 |
| Ten Katestraat | 36 | 30 | 9.530 | 8.596 | 8.019 | 5.754 |
| Lindengracht | 71 | 53 | 10.525 | 8.605 | 11.503 | 8.665 |
| Zwanenburgwal | — | — | 1.702 | 964 | 4.006 | 3.669 |
| Joubertstraat | — | — | — | 299 | — | 299 |
| Gaaspstraat | — | — | — | 1.267 | — | 1.685 |
| Totaal | 279 | 210 | 56.138 | 47.389 | 71.926 | 54.684 |
III. WEEKMARKTEN.
Boom- en bloemmarkt.
De opbrengst aan marktgeld bedroeg f 1.437,86 (v.j. f 1.393,65).
Uilenburgmarkt.
De opbrengst aan marktgeld bedroeg f 563,— (v.j. f 4.183,85).
Als gevolg van de reeds bovengenoemde maatregelen wordt deze markt sedert 2 Maart niet meer gehouden.
Tot 2 Maart werden ingenomen 3.216 dagplaatsen.
ALGEMENE WEEKMARKTEN.
De aanwijzing der tijdelijke hulpmarkten van deze markten is tijdens het verslagjaar voor ten hoogste één jaar verlengd.
De opbrengst aan marktgeld aan de algemeene weekmarkten bedroeg f 6.417,20 (v.j. f 7.589,10).
In het verslagjaar werden op de volgende markten de daarachter vermelde dagplaatsen ingenomen — de tusschen haakjes geplaatste getallen vermelden de overeenkomstige gegevens over 1940 — Westerstraat 15.395 (18.441); Sumatrastraat 2.437 (3.092); Jan Evertsenstraat 2.889 (3.563); Noordermarkt 5.619 (9.395); Amstelveid 6.637 (8.451); Mosplein 5.775 (7.415); totaal 38.752 (51.395)
Halfjaarplaatsen en weekplaatsen werden hier niet ingenomen. De cijfers tonen een significante daling in alle categorieën van marktplaatsen tussen 1940 en 1941. Het totaal aantal halfjaarplaatsen daalde van 279 naar 210, de weekplaatsen van 56.138 naar 47.389, en de dagplaatsen van 71.926 naar 54.684.
Meest opvallend is de enorme daling bij de Uilenburgmarkt, waar de opbrengst kelderde van ruim 4.100 gulden naar slechts 563 gulden, gepaard gaand met de melding dat de markt na 2 maart 1941 niet meer werd gehouden. Tegelijkertijd verschijnen er in 1941 twee nieuwe markten in de statistieken die in 1940 nog niet bestonden: de Joubertstraat en de Gaaspstraat. Ook bij de "Algemene Weekmarkten" (zoals de Westerstraat en de Noordermarkt) is een forse daling in het aantal ingenomen dagplaatsen zichtbaar (een afname van meer dan 12.000 plaatsen in totaal). Dit document is een kille, administratieve weerslag van de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter in Amsterdam gedurende het jaar 1941. De genoemde "maatregelen" die leidden tot de sluiting van de Uilenburgmarkt op 2 maart 1941, hielden direct verband met de gebeurtenissen na de Februaristaking. De Uilenburgmarkt lag in het hart van de Jodenbuurt; de sluiting was onderdeel van het proces om Joden uit het openbare economische leven te weren.
De nieuwe markten in de Joubertstraat (Transvaalbuurt) en Gaaspstraat (Rivierenbuurt) werden door de bezetter aangewezen als specifieke "Joodse markten". Joodse handelaren en burgers werden gedwongen hun nering naar deze locaties te verplaatsen, weg van de algemene markten zoals de Albert Cuyp of het Waterlooplein. De daling van de cijfers op de traditionele markten weerspiegelt niet alleen de economische schaarste en distributieproblemen tijdens de oorlog, maar vooral de uitsluiting en latere deportatie van de Joodse Amsterdammers, die van oudsher een centrale rol speelden in de Amsterdamse markthandel. Marktwezen