Ambtelijke correspondentie / Adviesnota (doorslag).
Origineel
Ambtelijke correspondentie / Adviesnota (doorslag). 5 mei 1943. Marktwezen Amsterdam (waarschijnlijk de directeur of hoofden van de dienst). [Handgeschreven: Gezien...]
[Handgeschreven: Verzonden 6/5]
VM/HB.
46a/142/2 N.
Vischverkoop. 5 Mei 1943.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 14 April jl. om advies ontvangen stuk no.282 L.M.1943, hebben de ondergeteekenden de eer U te berichten, dat de verkoop van visch op de markten uitsluitend plaatsvindt aan het zich in een rij opgesteld hebbende publiek.
Het is U bekend, dat er een uiterst geringe hoeveelheid visch onder de bevolking te verdeelen valt. Vandaar, dat bij voortduring bepaalde groepen der bevolking bij het Marktwezen aankloppen om voor hen een speciale regeling in het leven te roepen tot het regelmatig verkrijgen van visch.
Voor de ziekenhuizen is een afzonderlijke regeling getroffen, terwijl overigens als uitsluitend afwijkende regeling, de voorkeurskaart van den Nederlandschen Volksdienst ten behoeve van zwangere vrouwen, die op grond daarvan één maal in de drie weken van dit voorkeursrecht gebruik mogen maken, bestaat. Omtrent laatstgenoemde regeling bestaat onder het publiek - om het op zijn zachtst te zeggen - allesbehalve bewondering. Dag in dag uit, zoo moet verder worden opgemerkt, wordt aangedrongen op voorkeursregelingen, dan voor ouden van dagen, dan weer voor zieken en zwakken; een andere maal voor personen, die aan een kwaal lijden en ten slotte houdt de aandrang voor een speciale regeling voor inrichtingen van allerhanden aard niet op. Zooveel te verdedigen belangen, zooveel verzoeken komen binnen voor het verkrijgen van visch.
Kort en goed gezegd - zoo meenen wij te mogen opmerken - er is geen beginnen aan. De eenige remedie zou zijn de visch onder de distributie-regeling te brengen. Doch dit is weer technisch, gegeven de geringe hoeveelheid van den aanvoer, alsmede de ongelijksoortigheid van het artikel visch, vrijwel onuitvoerbaar.
Uit een oogpunt van welwillendheid jegens deze oudjes zou inwilliging van het hier behandelde verzoek toe te juichen zijn, ware het niet, dat ten deze ernstig met de consequenties moet worden rekening gehouden. Er zijn namelijk te Amsterdam een zestigtal van deze hofjes, terwijl er verder nog verschillende andere instellingen, waar hulpbehoevenden, zieken en ouden van dagen zijn opgenomen, bestaan. Dit document is een ambtelijk advies aan de wethouder over de problematiek rondom de schaarste van vis tijdens de bezettingsjaren. De kern van de tekst is een afwijzing van een verzoek om visprioriteit te geven aan bewoners van "hofjes" (bejaardentehuizen avant la lettre).
De argumentatie is tweeledig:
1. Logistieke onmogelijkheid: Er is simpelweg te weinig vis om een eerlijke verdeling via het bonnenstelsel (distributie) te organiseren. De variatie in vissoorten en gewichten maakt dit technisch onuitvoerbaar.
2. Maatschappelijke onrust: Er wordt expliciet verwezen naar de weerstand onder het publiek tegen bestaande uitzonderingen. Vooral de "voorkeurskaart van den Nederlandschen Volksdienst" voor zwangere vrouwen wordt met argusogen bekeken. De ambtenaren vrezen een 'precedentwerking': als één groep (de hofjes) een uitzondering krijgt, zullen de andere 60 hofjes en talloze andere zorginstellingen volgen, wat het systeem van "wie in de rij staat, krijgt vis" onmogelijk maakt. De brief is gedateerd op 5 mei 1943, midden in de Tweede Wereldoorlog. De voedselvoorziening in Nederland werd gedurende de bezetting steeds nijpender. Vis was een van de weinige eiwitbronnen die buiten het strikte bonnenstelsel viel, maar de aanvoer was minimaal door de beperkingen op de visserij in de Noordzee (vanwege mijnen en Duitse restricties).
Een cruciaal historisch detail is de vermelding van de Nederlandschen Volksdienst (NV). Dit was een door de NSB opgerichte nationaalsocialistische hulporganisatie. Het feit dat zwangere vrouwen via deze politiek beladen organisatie een voorkeursbehandeling kregen, verklaart de opmerking dat er bij het publiek "allesbehalve bewondering" voor bestond. Het publiek zag dergelijke privileges als een vorm van collaboratie of onrechtvaardige bevoordeling in een tijd van bittere schaarste.