Archiefdocument
Origineel
3 juli 1943. Vischregelij. A’dam, 3/7 1943
rookers. W.h.M. 460/217/3
Onder verwijzing
naar het met uw handbrief
dd. 16 Juni jl. om advies
ontvangen stuk No 434 L.M.
1943 heb ik de eer u te be-
richten, dat de groep aal-
rookers, een dertigtal,
sedert de aal ~~vroeger door~~
~~de hoogere hand voor andere~~
~~doel~~ een andere bestemming
heeft gekregen, vrijwel geen
toewijzingen van visch hebben
ontvangen; zij hebben reeds
eenige malen verzocht om
bij den verschen vischhan-
del te worden ingeschakeld;
dit verzoek is in de Ver-
deelingscommissie behandeld
en afgewezen, omdat De tekst is een ambtelijk schrijven waarin verslag wordt gedaan van de situatie van een groep van circa dertig aalrokers in Amsterdam. De kern van de problematiek is dat zij geen aanvoer van vis (paling) meer krijgen omdat de beschikbare voorraad door de overheid of bezetter een "andere bestemming" heeft gekregen. De rokers hebben herhaaldelijk gevraagd om te mogen uitwijken naar de handel in verse vis om hun bedrijfsvoering te redden. De schrijver meldt echter dat de Verdeelingscommissie dit verzoek heeft afgewezen. Opvallend zijn de doorhalingen in het midden van de tekst, waarbij de expliciete verwijzing naar de "hoogere hand" (de autoriteiten of bezetter) is vervangen door de neutralere term "een andere bestemming". De tekst breekt af na het woord "omdat", wat suggereert dat dit de eerste pagina van een langer document is. Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 was de voedselvoorziening volledig gecentraliseerd en onderworpen aan strikte distributieregels. Vis, en met name paling, was een schaars goed dat vaak werd gevorderd voor de Duitse weermacht of voor export naar Duitsland. Lokale "Verdeelingscommissies" hielden toezicht op de toewijzing van quota aan handelaren en verwerkers. De aalrokers, een traditioneel Amsterdams ambacht, werden door deze schaarste en centrale sturing direct in hun voortbestaan bedreigd. De formele, bijna onderdanige toon ("heb ik de eer u te berichten") is typerend voor de ambtelijke correspondentie uit die periode.
Samenvatting
De tekst is een ambtelijk schrijven waarin verslag wordt gedaan van de situatie van een groep van circa dertig aalrokers in Amsterdam. De kern van de problematiek is dat zij geen aanvoer van vis (paling) meer krijgen omdat de beschikbare voorraad door de overheid of bezetter een "andere bestemming" heeft gekregen. De rokers hebben herhaaldelijk gevraagd om te mogen uitwijken naar de handel in verse vis om hun bedrijfsvoering te redden. De schrijver meldt echter dat de Verdeelingscommissie dit verzoek heeft afgewezen. Opvallend zijn de doorhalingen in het midden van de tekst, waarbij de expliciete verwijzing naar de "hoogere hand" (de autoriteiten of bezetter) is vervangen door de neutralere term "een andere bestemming". De tekst breekt af na het woord "omdat", wat suggereert dat dit de eerste pagina van een langer document is.
Historische Context
Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 was de voedselvoorziening volledig gecentraliseerd en onderworpen aan strikte distributieregels. Vis, en met name paling, was een schaars goed dat vaak werd gevorderd voor de Duitse weermacht of voor export naar Duitsland. Lokale "Verdeelingscommissies" hielden toezicht op de toewijzing van quota aan handelaren en verwerkers. De aalrokers, een traditioneel Amsterdams ambacht, werden door deze schaarste en centrale sturing direct in hun voortbestaan bedreigd. De formele, bijna onderdanige toon ("heb ik de eer u te berichten") is typerend voor de ambtelijke correspondentie uit die periode.