Archiefdocument
Origineel
[In de linkerbovenmarge:]
nieuwe
herziening
maakt
-3-
Indien de aal alsnog zou worden aangevoerd, zou in deze verhouding ~~niet veel wijziging komen~~ de volgende wijziging komen, aangezien voor het allergrootste deel de kleinhandelaren met dubbele toewijzing zoetwatervisch ook een dubbele toewijzing aal hebben, evenals die met een enkele toewijzing zoetwatervisch een enkele toewijzing aal.
Geheel juist is het aantal klanten per handelaar echter niet te bepalen. De fijne zeevisch bijv. wordt uitsluitend toegewezen aan de winkeliers, die dit artikel vroeger ook verkochten. Het is onmogelijk ~~hiervoor~~ om na te gaan hoeveel klanten deze winkeliers hiervoor meer moeten aannemen, dan hun collega's, die geen fijne zeevisch ontvangen, Maar bovendien bestaat de mogelijkheid, dat plotseling zeer veel fijne zeevisch wordt aangevoerd. De betreffende winkeliers komen dan vaak aan de beurt en kunnen dus sneller hun klanten bedienen, dan de overigen. Hieromtrent moet evenwel de practijk maar eens worden afgewacht. Zooals hierna nog nader zal blijken, is het toch niet mogelijk een zoodanige indeeling te maken, dat alle kleinhandelaren op hetzelfde moment hun klanten hebben bediend en dus tot een nieuwe bonaanwijzing kan worden overgegaan. Hiervoor moet een zekere marge, een overgangstijd, in acht worden genomen, waarin zoowel de oude als de nieuwe aangewezen bon geldig zullen zijn.
[In de linkermarge bij de tweede alinea:]
Zie blz. 5
correctie
punten
D. Verdeeling der handelaren over de stad.
Het systeem van verkoop op 9 verkoopplaatsen op de markten, in de stad, kan niet worden gehandhaafd, omdat dan een te groote toeloop van publiek naar deze enkele punten zou plaatsvinden; bovendien zouden vele menschen te ver moeten loopen om hun visch te halen. Dit zou nog niet zoo bezwaarlijk zijn, wanneer te voren bekend was, dat men op een bepaalden dag aan de beurt zou komen. Dit is evenwel niet het geval. Het is zeer goed mogelijk, dat men, hoewel zijn volgnummer bijna aan de beurt is, toch nog dagen moet wachten, voordat de handelaar weer visch krijgt.
Het is daarom wenschelijk om de ± 300 straathandelaren over standplaatsen in de stad te verdeelen, waarbij zooveel mogelijk met de bevolkingsdichtheid rekening kan worden gehouden. Een bezwaar van dit stelsel is, dat de contrôle hierdoor moeilijker wordt. Wij achten het evenwel, zooals ~~hieronder~~ hierna onder G nader zal worden omschreven, gewenscht, dat 4 of 5 straathandelaren bij elkaar worden geplaatst, zoodat dan, buiten de ± 60 winkeliers, nog ± 60 ~~verkoop~~punten in de stad zullen komen. Wanneer men bedenkt, dat in het algemeen ~~per dag~~ telkens niet meer dan 100 - 150 kooplieden een toewijzing krijgen, dan wordt de contrôle met het De tekst beschrijft de uitdagingen van een distributiesysteem voor vis. Centraal staan twee problemen:
1. De onvoorspelbaarheid van de aanvoer: Vooral bij "fijne zeevisch" en "aal" is de aanvoer grillig, wat het lastig maakt om een eerlijke planning te maken voor de klanten en de handelaren.
2. De spreiding van verkooppunten: Er wordt beargumenteerd dat verkoop op slechts negen markten leidt tot te grote menigten en ongemak voor de burger. Er wordt voorgesteld om circa 300 straathandelaren in kleine groepen (van 4 of 5) te verspreiden over ongeveer 60 locaties in de stad, gebaseerd op de bevolkingsdichtheid.
De handgeschreven wijzigingen (zoals "telkens" in plaats van "per dag") tonen aan dat men de tekst nauwkeuriger wilde maken met het oog op de feitelijke uitvoering van de controle en de toewijzing. Het document stamt uit de periode van de distributie en rantsoenering in Nederland, vermoedelijk tijdens of vlak na de Tweede Wereldoorlog (gezien de spelling "zeevisch", "practijk" en het gebruik van de "bonaanwijzing"). In deze tijd was er een chronisch tekort aan diverse levensmiddelen, waaronder vis. De overheid reguleerde de handel strak om zwarte handel te voorkomen en een eerlijke verdeling te garanderen. De genoemde "bonaanwijzing" verwijst naar de distributiebonnen die burgers nodig hadden om producten te kunnen kopen. De genoemde 300 straathandelaren en 60 winkeliers wijzen op een grote stad, mogelijk Amsterdam of Rotterdam.