Ambtelijk advies/brief betreffende marktgeldrestitutie.
Origineel
Ambtelijk advies/brief betreffende marktgeldrestitutie. 11 mei 1929. Teruggave marktgeld aan R.J. Schuit-Jongbloed.
A’dam, 11/5 1929
W. R. M. [Marktwezen]
28/49/2
12/5-39
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat R.J. Schuit-Jongbloed, Tuinstraat 220, die een vaste plaats op de markt Lindengracht-Eerste heeft bezet, het verschuldigde marktgeld voor het eerste kalenderhalfjaar van 1929, krachtens art. 17 lid 1 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden tot een bedrag van f. 23,70 heeft betaald.
Schuit-Jongbloed heeft met ingang van 17 April jl. voor zijn vaste marktplaats bedankt, omdat zijn dochter, die hem op zijn plaats assisteerde, op dezen datum zelf een vaste plaats op de markt kreeg; Schuit is niet in staat om zonder hulp handel te drijven, [in de marge:] (hij niet voldoende verstand heeft) [doorgestreept], zoodat hij wel genoodzaakt was, zijn plaats op te geven. (Zijn echtgenoote, die hem vroeger assisteerde, is overleden). Hij verzocht om hem het teveel betaalde marktgeld te restitueeren.
Indien hij volgens het tarief per kalenderweek had betaald, zou hij van 1 Januari tot 15 April jl. een totaal bedrag van f. 15.75 schuldig zijn geweest. Hij betaalde f. 23.70, weshalve hij voor een restitutie van f. 23.70 – f. 15.75 = f. 7.95 in aanmerking zou kunnen komen.
Ik heb de eer U te adviseeren op dit verzoek gunstig te beschikken en derhalve bij Besluit van B. & W., ingevolge artikel 36 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, aan R.J. Schuit-Jongbloed voornoemd teruggave van reeds betaald marktgeld toe te staan tot een bedrag van f. 7.95.
A D
W.E. Dit document is een ambtelijke voordracht voor de terugbetaling van marktgeld. De kern van de zaak is dat de heer R.J. Schuit (die de naam van zijn overleden echtgenote Jongbloed voert of hiermee geïdentificeerd wordt) zijn marktplaats op de Lindengracht in Amsterdam heeft opgezegd per 17 april 1929.
De reden voor de opzegging is sociaal-economisch van aard: de koopman was afhankelijk van hulp bij zijn kraam. Nadat zijn echtgenote was overleden, hielp zijn dochter hem. Toen zij echter per april 1929 een eigen vaste standplaats kreeg, kon zij hem niet langer bijstaan. De man was volgens de tekst "niet in staat om zonder hulp handel te drijven".
Er wordt een nauwkeurige berekening gemaakt:
* Betaald voor het gehele eerste halfjaar: f 23,70
* Verschuldigd tot aan opzegging (week-tarief): f 15,75
* Geadviseerde restitutie: f 7,95
Het advies aan Burgemeester en Wethouders (B. & W.) is positief, steunend op artikel 36 van de toenmalige verordening. Het document biedt een inkijkje in de strikte regulering van de Amsterdamse markten (zoals de Lindengracht) in het interbellum. Standplaatshouders betaalden vooraf voor een halfjaar ("kalenderhalfjaar"). De bureaucratie rondom restitutie was aanzienlijk; zelfs voor een relatief klein bedrag van nog geen 8 gulden (wat overigens destijds een substantieel bedrag was, vergelijkbaar met ongeveer een dagloon voor een arbeider) moest een officieel advies worden opgesteld en een besluit van B. & W. worden genomen.
De persoonlijke omstandigheden die worden aangehaald (overlijden echtgenote, dochter die voor zichzelf begint) illustreren dat markthandel in die tijd vaak een familieaangelegenheid was waarbij fysieke of cognitieve beperkingen ("niet in staat om zonder hulp...") direct leidden tot het beëindigen van de nering. De doorgehaalde opmerking in de marge over "niet voldoende verstand" suggereert dat de ambtenaar twijfelde over hoe de onkunde van de man te omschrijven zonder onhoffelijk te zijn. R.J. Schuit Marktwezen