Archief 745
Inventaris 745-431
Pagina 38
Dossier 103
Jaar 1944
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag/afschrift).

14 januari 1944 (afschrift gedateerd 20-1-'44).

Origineel

Getypte brief (doorslag/afschrift). 14 januari 1944 (afschrift gedateerd 20-1-'44). RIJKSDIENST TER UITVOERING VAN DE
ZUIDERZEESTEUNWET 1925 (Stb. 290)

Afdeeling Artikel 13 No. 36
D.11906.

Amsterdam, 14 Januari 1944.
Jacob Obrechtstraat 67, tel. 93517.

Betreft: toewijzing
betreffende Wed.
F. Sterkenburg -
M.H. Maas

Aan de NEDERLANDSCHE
VISSCHERIJCENTRALE,
2e Adelheidstraat 300,
's-GRAVENHAGE .-

Bij de behandeling eener aanvraag om geldelijke tegemoetkoming ingevolge artikel 13 der Zuiderzeesteunwet door de Wed: F. Sterkenburg, geboren M.H. Maas, te Amsterdam-C., Goudsbloemstraat 57-I bij mij ingediend is mij gebleken, dat zij niet in de gelegenheid is om het vischrookersbedrijf, haar door haar echtgenoot nagelaten, voort te zetten, omdat de hem verleende toewijzing door zijn overlijden is komen te vervallen en niet op haar overgaat.

Ik moge Uwe medewerking inroepen om deze weduwe niet van het vischhandelsbedrijf uit te schakelen, omdat zij van ouds in dat bedrijf werkzaam is geweest, zoowel zelfstandig als met haar overleden echtgenoot. Door het weder ontvangen van toewijzing zal zij in de gelegenheid komen om zoo mogelijk volledig in haar onderhoud te voorzien.

Naar de Burgemeester van Amsterdam mij mededeelde, is weliswaar de toewijzing van wijlen haar echtgenoot verleend bij wijze van straf ingetrokken, doch ik ben van oordeel dat dergelijke strafmaatregel alleen den betrokkene zelf kan betreffen en niet tegen zijne weduwe van kracht kan zijn, zoodat naar mijn gevoelelen in de tegen wijlen F. Sterkenburg uitgesproken straf geen beletsel tot het verleenen van toewijzing aan de weduwe Sterkenburg gezien behoeft te worden.

DE DIRECTEUR VAN DEN RIJKSDIENST TER
UITVOERING VAN DE ZUIDERZEESTEUNWET,

w.g. onleesbaar.

Voor eensluidend afschrift,
BEDRIJFSCHAP VOOR VISSCHERIJPRODUCTEN,

[Handtekening: Haack]

20-1-'44.
Boo.

[Linksonder handgeschreven:] 462/24' 43 Deze brief is een formeel verzoek van de directeur van de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet aan de Nederlandsche Visscherijcentrale. De kern van het schrijven is een pleidooi voor mevrouw M.H. Maas, de weduwe van F. Sterkenburg. Haar overleden man had een visrokerij in de Goudsbloemstraat in Amsterdam, maar zijn exploitatievergunning ("toewijzing") was voor zijn overlijden als strafmaatregel ingetrokken.

De directeur beargumenteert dat deze straf persoonsgebonden was en niet de weduwe mag treffen, die altijd in het bedrijf heeft meegewerkt. Hij verzoekt om haar een nieuwe toewijzing te verlenen zodat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het document is een "eensluidend afschrift", opgemaakt door het Bedrijfschap voor Visscherijproducten een week na de oorspronkelijke brief. * Zuiderzeesteunwet (1925): Deze wet was bedoeld om vissers en aanverwante bedrijven financieel te compenseren voor de schade die zij leden door de afsluiting van de Zuiderzee (de bouw van de Afsluitdijk). Artikel 13 had specifiek betrekking op uitkeringen of regelingen voor getroffenen.
* Historische context: Het document dateert uit januari 1944, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De "Nederlandsche Visscherijcentrale" was in deze periode het centrale orgaan dat de visserijsector controleerde onder toezicht van de bezetter.
* Sociaal-economisch: De brief toont de bureaucratische realiteit van die tijd, waarbij zelfs lokale visrokerijen volledig afhankelijk waren van centrale overheidsinstellingen voor hun bestaansrecht. Het laat ook zien hoe ambtenaren soms probeerden binnen het systeem op te komen voor individuele burgers die door samenloop van omstandigheden (strafmaatregelen en overlijden) hun broodwinning dreigden te verliezen.

Samenvatting

Deze brief is een formeel verzoek van de directeur van de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet aan de Nederlandsche Visscherijcentrale. De kern van het schrijven is een pleidooi voor mevrouw M.H. Maas, de weduwe van F. Sterkenburg. Haar overleden man had een visrokerij in de Goudsbloemstraat in Amsterdam, maar zijn exploitatievergunning ("toewijzing") was voor zijn overlijden als strafmaatregel ingetrokken.

De directeur beargumenteert dat deze straf persoonsgebonden was en niet de weduwe mag treffen, die altijd in het bedrijf heeft meegewerkt. Hij verzoekt om haar een nieuwe toewijzing te verlenen zodat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het document is een "eensluidend afschrift", opgemaakt door het Bedrijfschap voor Visscherijproducten een week na de oorspronkelijke brief.

Historische Context

  • Zuiderzeesteunwet (1925): Deze wet was bedoeld om vissers en aanverwante bedrijven financieel te compenseren voor de schade die zij leden door de afsluiting van de Zuiderzee (de bouw van de Afsluitdijk). Artikel 13 had specifiek betrekking op uitkeringen of regelingen voor getroffenen.
  • Historische context: Het document dateert uit januari 1944, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De "Nederlandsche Visscherijcentrale" was in deze periode het centrale orgaan dat de visserijsector controleerde onder toezicht van de bezetter.
  • Sociaal-economisch: De brief toont de bureaucratische realiteit van die tijd, waarbij zelfs lokale visrokerijen volledig afhankelijk waren van centrale overheidsinstellingen voor hun bestaansrecht. Het laat ook zien hoe ambtenaren soms probeerden binnen het systeem op te komen voor individuele burgers die door samenloop van omstandigheden (strafmaatregelen en overlijden) hun broodwinning dreigden te verliezen.

Locaties

Amsterdam / 's-Gravenhage.

Kooplieden in dit dossier 18

Gerelateerde Documenten 6