Ambtelijke correspondentie / memo
Origineel
Ambtelijke correspondentie / memo 18 mei 1943 Visscherij A’dam, 18/5 1943
W.G.M.
In bijlage dezes
heb ik de eer u (in afschrift)
verzoek te doen toekomen
van de „Inen” te IJmuiden
i.z. het overnemen van de
zaak van den kleinhandelaar
J. Savelberg, Utrechtschestr.
J. Savelberg is geen jood
en deze aangelegenheid heeft dus
verder niets uitstaande met
het verzoek van de Wirtschaft-
prüfstelle t.a.v. het concen-
treeren van 7 joodsche kleinhandels-
zaken, in beheer bij de Inen.
Het verzoek kan naar
mijn mening niet worden in-
gewilligd. De zaak v. Savelberg
was reeds geruimen tijd geleden
gesloten en Savelberg ontvangt
dan ook sedert maanden
geen toewijzing meer op den
afslag. De bewering van [afgebroken] Het document is een intern schrijven van de Amsterdamse visvoorzieningsinstantie (Visscherij A’dam) uit mei 1943. De kern van het bericht betreft een verzoek van de firma "Inen" uit IJmuiden om de kleinhandel van J. Savelberg aan de Utrechtsestraat over te nemen.
De schrijver benadrukt een cruciaal onderscheid voor die tijd: J. Savelberg is geen Jood. Dit is van belang omdat de Wirtschaftsprüfstelle (een Duitse instantie die toezag op het economisch beheer en de "arisering" van bedrijven) op dat moment bezig was met het "concentreren" (vaak een eufemisme voor liquidatie of gedwongen fusie) van zeven Joodse kleinhandelszaken die al onder beheer van Inen stonden. De schrijver wil voorkomen dat de zaak van Savelberg onterecht bij dit proces wordt gevoegd.
Desondanks adviseert de opsteller om het verzoek tot overname af te wijzen. De reden hiervoor is zakelijk-administratief: de winkel van Savelberg is al geruime tijd dicht en hij krijgt geen visquota ("toewijzing op den afslag") meer. De overname lijkt dus economisch niet zinvol of rechtmatig binnen de toenmalige distributieregels. Dit document biedt een inkijkje in de bureaucratische afhandeling van bedrijfszaken tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In 1943 was de vervolging van de Joodse bevolking in een vergevorderd stadium. De term Wirtschaftsprüfstelle verwijst naar het orgaan dat toezag op de onteigening van Joods bezit.
Dat er specifiek vermeld wordt dat iemand "geen jood" is, illustreert hoe rassenwetten diep waren doorgedrongen in de dagelijkse administratie; het bepaalde welke regels en welke instanties op een dossier van toepassing waren. Daarnaast toont de tekst de schaarste in de oorlog: zonder "toewijzing op den afslag" (de visafslag) had een viswinkel geen bestaansrecht, aangezien de handel volledig door de bezetter en distributiestelsels werd gecontroleerd.