Handgeschreven brief/kennisgeving.
Origineel
Handgeschreven brief/kennisgeving. 14 april 1944. (Linksboven in de marge:)
Toewijzing
Th. Helsloot
(Rechtsboven:)
A'dam, 14/4 1944
W. L. M. | copy aan Adv. + Insp.
(Hoofdtekst:)
Hiermede hebben de
ondergeteekenden de eer U te
berichten, dat de klein-
handelaar in visch Th. Hel-
sloot, geb. [niet ingevuld]
wonende L. Leidschedwarsstr. 89 II
op 9 April jl. is overleden.
Helsloot was tot voor ongeveer
een jaar geleden in de visch-
verdeeling te dezer stede als
vaste vischhandelaar op-
genomen; hij verkocht zijn
visch op de markt L.straat.
Hij heeft nadien zijn toe-
wijzing niet meer in ont-
vangst genomen, omdat hij
zijn gezin van 12 personen
van de inkomsten daarvan niet
langer kon onderhouden; hij
is bij een patroon gaan
werken.
De weduwe is nu geheel
zonder inkomsten geraakt en
zij verzoekt, de toewijzing van Het document is een zakelijke en formele kennisgeving gericht aan een administratieve instantie (mogelijk de W.L.M. - Waarborgfonds Levensmiddelenbedrijven of een distributieorgaan). De toon is eerbiedig ("de eer U te berichten").
De kern van de brief is de penibele financiële situatie van de nabestaanden van vishandelaar Th. Helsloot. Het document onthult dat Helsloot zijn zelfstandige handel een jaar voor zijn dood had gestaakt omdat de opbrengst uit de officiële "vischverdeeling" ontoereikend was om zijn enorme gezin van 12 personen te voeden. Hij was daarom als werknemer bij een "patroon" (werkgever) aan de slag gegaan. Met zijn overlijden op 9 april 1944 is dit loon weggevallen, waardoor de weduwe zonder middelen van bestaan is achtergebleven. De brief breekt af op het punt waar waarschijnlijk wordt verzocht de handels-toewijzing aan de weduwe over te dragen of te herstellen. De brief is geschreven in april 1944, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Dit was een periode van extreme schaarste, strikte rantsoenering en economische malaise. De vishandel viel onder een streng distributiesysteem ("vischverdeeling"), waarbij handelaren slechts beperkte hoeveelheden toegewezen kregen.
Het adres (Lange Leidschedwarsstraat 89 II) duidt op een woning in een destijds dichtbevolkte Amsterdamse volksbuurt. Een gezin van 12 personen op een bovenwoning was in die tijd niet ongewoon, maar de zorg voor een dergelijk groot gezin in oorlogstijd was een enorme opgave. Het document illustreert de sociale ontberingen van die tijd, waarbij het overlijden van de kostwinner een gezin direct in de diepste armoede kon storten.