Archiefdocument
Origineel
- 4 -
heid geboden wil controle op de uitvoering moge-
lijk zijn.
Wat betreft de tweede vraag onder b. ge-
steld moge het volgende worden opgemerkt.
Er wordt gevraagd de toewijzing voor de
weduwe te laten verkoopen door een kind, dat geen
deel meer uitmaakt van haar gezin. Hierbij kunnen
zich twee mogelijkheden voordoen, namelijk in het
eene geval, dat het kind reeds in den vischhandel
werkzaam is en naast eigen toewijzing die van zijn
moeder verkoopt en in het andere geval, dat hij
den vischhandel terwille van zijn moeder weer ter
hand neemt. In beide gevallen kan op geen andere
gronden dan op die van goeden trouw worden aange-
nomen, dat de verdiensten op de hierbedoelde toe-
wijzing genoten inderdaad de moeder ten goede komen.
Het vaststellen hiervan zou slechts mogelijk zijn
door een geregeld gezinsonderzoek, hetgeen wel
allerminst op den weg van het Gemeentebestuur kan
liggen. Het wil ondergeteekenden voorkomen, dat
deze weg niet ingeslagen moet worden. Een zoodanige
regeling zal na korter of langer tijd zooveel
moeilijkheden te weeg brengen dat zij niet meer ~~te~~
~~overzien zijn.~~ kan worden volgehouden.
~~xxxxxxxxxxxxxxxxx~~
Ten slotte willen wij voor de goede orde
nog op het volgende Uw aandacht vestigen. Wij heb-
ben hierboven een summier overzicht gegeven van e-
eenige overschrijvingsmogelijkheden van vischtoe-
wijzingen; uiteraard kan dit geen volledig over-
zicht zijn, omdat vele ~~unanties~~ nuances denkbaar zijn.
~~dient echter niet uit het oog te verliezen, dat~~
De Bedrijfschap met haar organisaties zich in
~~steeds~~ toenemende mate met de regeling van den
vischhandel bezig houdt en ongetwijfeld ook zal op
dit gebied voorschriften ~~zal~~ uitvaardigen. Zooals
reeds werd gememoreerd is in de overschrijvings-
mogelijkheid der erkenningen reeds voorzien, ~~hoe-~~
~~wel naar onze meening stellig niet in afdoende mate.~~
Er moet derhalve rekening mee worden gehouden dat bi
binnen afzienbaren tijd een door de bedrijfsorgani-
satie uitgevaardigde regeling is te verwachten.
Zoolang dit evenwel niet is geschied, zal het noodig De tekst betreft een beleidskwestie over de vishandel, in een tijd dat dit nog sterk door de overheid werd gereguleerd via 'toewijzingen'. De kernvraag is of kinderen van een weduwe haar vergunning mogen exploiteren. De opstellers adviseren om hierin niet te streng te controleren (geen 'gezinsonderzoek'), omdat dit onuitvoerbaar is; men kiest voor een beleid op basis van 'goede trouw'.
Opvallend zijn de vele redactionele wijzigingen in de tweede helft van de pagina. De tekst wordt gecorrigeerd om de actieve rol van de 'Bedrijfschap' (een publiekrechtelijk orgaan) te benadrukken. Er wordt geanticipeerd op nieuwe landelijke regelgeving die de lokale gemeentelijke regels zal gaan vervangen. De gehanteerde spelling ("vischhandel", "ondergeteekenden", "eene") duidt op een officiële stijl die gangbaar was tot de spellingshervorming van 1947, al werd deze in ambtelijke kringen vaak nog langer aangehouden. De context is de periode van de geleide economie en de opkomst van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties (PBO's) na de Tweede Wereldoorlog. In deze periode werden marktsectoren zoals de vishandel strak georganiseerd om sociale zekerheid (bijv. voor weduwen) en eerlijke handel te waarborgen. De brief is waarschijnlijk gericht aan een College van Burgemeester en Wethouders. Bedrijfschap