Handgeschreven conceptbrief (waarschijnlijk een ambtelijk advies of besluit).
Origineel
Handgeschreven conceptbrief (waarschijnlijk een ambtelijk advies of besluit). 18 februari 1943. Erfelijkheid van vischtoewijzingen.
concept
2 x uit
A’dam, 18/2 1943
W.L.M.
Hiermede hebben de ondergetekenden de eer voor het volgende Uw aandacht te vragen.
De kleinhandelaar in visch J. J. Rooijen Sr, geb. 6/5 1888 en wonende IJsbrand de Koperstr. 8 III is op Februari jl. overleden. Hem was aanvankelijk als verkoopplaats aangewezen de markt Alb. Cuypstraat. Rooijen was reeds voor geruimen tijd door ziekte niet in staat om zijn bedrijf uit te oefenen, reden waarom was toegestaan dat zijn twee zoons, die eveneens in de vischafdeeling zijn opgenomen, de toewijzing van hun vader in ontvangst mochten nemen en deze op de hun aangewezen markt: de Dapperstraat, moesten verkoopen.
Na het overlijden van Rooijen Sr is diens vischtoewijzing dezerzijds ingehouden. De weduwe heeft thans het verzoek ingediend om deze toewijzing op haar naam dan over te schrijven en toe te staan, dat haar zoons deze op dezelfde wijze, als den laatsten tijd het geval was, te haren behoeve mogen blijven verkoopen.
De twee deelen van dit verzoek zullen wij hieronder afzonderlijk behandelen; allereerst zullen wij U ons oordeel kenbaar maken over de erfelijkheid der vischtoewijzingen. Zooals U weet zijn de toewijzingen strikt persoonlijk en in het algemeen vervalt deze, wanneer de rechthebbende van de vischmarkt verdwijnt. Tot nu toe is het nog niet voorgekomen, dat een handelaar kwam te overlijden en de nabestaanden vroegen om de toewijzing over te schrijven op een bepaald familielid. Thans zijn echter 2 gevallen aanhangig gemaakt nl. het verzoek Rooijen en een soortgelijk verzoek van de weduwe van F. Sterkenburg Sr. eveneens kleinhandelaar in gez. visch.
Evenals bij de uitzending van vischhandelaren naar het buitenland is geschied (vide hieromtrent onzen brief van … no. … en Uw antwoord dd. … no. … LM) zouden wij onderscheid willen maken tusschen straathandelaren en winkeliers.
Bij de winkeliers spreekt het welhaast vanzelf, dat de nabestaanden in de gelegenheid... [einde pagina] Het document is een beleidsvoorbereidend stuk uit de Tweede Wereldoorlog betreffende de distributie en verkoop van vis in Amsterdam. De kern van de zaak is of vergunningen ("toewijzingen") voor de vismarkt overdraagbaar zijn op nabestaanden.
Tot dan toe was het beleid dat een toewijzing strikt persoonlijk was en verviel bij overlijden. Door de schaarste en de strakke organisatie van de voedselvoorziening tijdens de bezetting was een dergelijke toewijzing van groot economisch belang voor het levensonderhoud van een gezin. De schrijver stelt voor om een onderscheid te maken tussen ambulante handel (straathandelaren) en vaste vestigingen (winkeliers), waarbij voor winkeliers de overdracht aan nabestaanden logischer wordt geacht.
Opvallend is de vermelding van "uitzending van vischhandelaren naar het buitenland", wat refereert aan de Arbeitseinsatz (dwangarbeid) of de deportaties, waarbij vergunningen van afwezigen ook al een punt van administratieve discussie waren. Dit document stamt uit februari 1943, een periode waarin de Duitse bezetting van Nederland zich verhardde. De handel in levensmiddelen zoals vis was volledig gereguleerd via een systeem van toewijzingen en distributiebonnen. De genoemde markten, de Albert Cuypmarkt en de Dappermarkt, waren (en zijn) centrale plekken voor de Amsterdamse voedselvoorziening.
De administratieve afhandeling van toewijzingen voor vis was in deze periode cruciaal omdat vis een van de weinige eiwitbronnen was die nog enigszins buiten de strengste vleesrantsoenering viel, hoewel ook de visaanvoer in 1943 sterk was afgenomen door de oorlogsvoering op de Noordzee en het vorderen van schepen door de Kriegsmarine. De ambtenaren die dit schreven, probeerden hier juridische precedenten te scheppen voor de afwikkeling van nalatenschappen van kleine zelfstandigen in oorlogstijd.