Archief 745
Inventaris 745-431
Pagina 315
Dossier 24
Jaar 1944
Stadsarchief

Getypt concept (2e Concept) voor een ambtelijke brief of nota.

Origineel

Getypt concept (2e Concept) voor een ambtelijke brief of nota. 2$^e$ C o n c e p t                                              SV

Erfelijkheid van vischtoewijzingen.

                                             Den Heer Wethouder
                                             voor de Levensmiddelen,

                                             A l h i e r.
                                             ===========

                 Hiermede hebben de ondergeteekenden de eer voor het volgende Uw aandacht te vragen.
                 De kleinhandelaar in visch J.H. Looyen Sr., geboren 6 Mei 1888 en wonende Huidekooperstraat 8 III is op 10 Februari jl. overleden. Hem was aanvankelijk als verkoopplaats aangewezen de markt Albert Cuypstraat. Looyen was reeds zeer geruimen tijd door ziekte niet in staat om zijn bedrijf uit te oefenen, reden waarom was toegestaan dat zijn twee zoons, die eveneens in de vischverdeeling zijn opgenomen, de toewijzing voor hun vader in ontvangst mochten nemen en deze op de hun aangewezen markt: de Dapperstraat, mochten verkoopen. Na het overlijden van Looyen Sr., is diens toewijzing dezerzijds ingehouden. De weduwe heeft thans het verzoek ingediend om deze toewijzing op haar naam te doen overschrijven en toe te staan, dat haar zoons deze op dezelfde wijze, als den laatsten tijd het geval was, te haren behoeve te [handgeschreven] mogen blijven verkoopen.
                 De twee deelen van dit verzoek zullen wij hieronder afzonderlijk behandelen; allereerst zullen wij U ons oordeel kenbaar maken over de erfelijkheid der vischtoewijzingen. Zooals U weet zijn de toewijzingen strikt persoonlijk en in het algemeen vervalt deze, wanneer de rechthebbende van de Vischmarkt verdwijnt. Tot nu toe is het niet voorgekomen, dat een handelaar kwam te overlijden en de nabestaanden vroegen om de toewijzingen over te schrijven op een bepaald familielid. Thans zijn echter twee gevallen aanhangig gemaakt namelijk het verzoek Looyen en een soortgelijk verzoek van de weduwe van F. Sterkenburg Sr., kleinhandelaar in gerookte visch, namelijk [handgeschreven]
                 ~~Om antwoord te kunnen geven op het verzoek, dat is gedaan zal het noodig zijn het gevraagde in twee vragen te splitsen namelijk~~ / a. overschrijven van de toewijzing op de weduwe als hoofd van het achterblijvend gezin of wel op een inwonend kind, dat dan als kostwinner Het document schetst een beleidsmatig dilemma binnen de marktregulering van Amsterdam. Centraal staat de vraag of een persoonsgebonden vergunning (toewijzing) voor de verkoop van vis na het overlijden van de houder kan overgaan op de nabestaanden.

De casus Looyen is specifiek omdat de zoons de handel al feitelijk overnamen tijdens de ziekte van hun vader, maar op een andere markt (Dapperstraat in plaats van Albert Cuypstraat). De ambtenaren die dit concept schreven, merken op dat vergunningen normaal gesproken strikt persoonlijk zijn en vervallen bij overlijden. Echter, omdat er nu twee gelijkluidende verzoeken liggen (Looyen en Sterkenburg), wordt er gezocht naar een structurele oplossing.

Het document stelt voor om de vraag te splitsen:
1. Kan de toewijzing op naam van de weduwe als gezinshoofd komen?
2. Of kan deze overgaan op een inwonend kind dat als kostwinner fungeert?

Er is sprake van een overgangsfase waarin de overheid probeert sociale compassie (behoud van inkomen voor de weduwe) te rijmen met de strikte regels van markttoewijzingen. De terminologie in het document geeft belangrijke historische context:
* "Wethouder voor de Levensmiddelen" en "Vischverdeeling": Deze termen duiden op een periode van sterke overheidsregulering en distributie van schaarse goederen. Dit wijst op de oorlogsjaren (1940-1945) of de directe wederopbouwperiode in Nederland, waarin de toewijzing van handelsplaatsen en voorraden cruciaal was voor het levensonderhoud.
* De Markten: De Albert Cuypmarkt en de Dappermarkt waren (en zijn) de belangrijkste dagmarkten van Amsterdam. De strijd om een vaste plek was groot, wat de noodzaak voor deze officiële correspondentie verklaart.
* Spelling: Het gebruik van de 'oude' spelling (visch, ondergeteekenden, dezerzijds) was de standaard in formele overheidsstukken tot de spellinghervorming van Marchant (1934) en de definitieve aanpassing in 1947. Gezien de context van de visverdeling is een datering rond 1941-1944 het meest aannemelijk.

Samenvatting

Het document schetst een beleidsmatig dilemma binnen de marktregulering van Amsterdam. Centraal staat de vraag of een persoonsgebonden vergunning (toewijzing) voor de verkoop van vis na het overlijden van de houder kan overgaan op de nabestaanden.

De casus Looyen is specifiek omdat de zoons de handel al feitelijk overnamen tijdens de ziekte van hun vader, maar op een andere markt (Dapperstraat in plaats van Albert Cuypstraat). De ambtenaren die dit concept schreven, merken op dat vergunningen normaal gesproken strikt persoonlijk zijn en vervallen bij overlijden. Echter, omdat er nu twee gelijkluidende verzoeken liggen (Looyen en Sterkenburg), wordt er gezocht naar een structurele oplossing.

Het document stelt voor om de vraag te splitsen:
1. Kan de toewijzing op naam van de weduwe als gezinshoofd komen?
2. Of kan deze overgaan op een inwonend kind dat als kostwinner fungeert?

Er is sprake van een overgangsfase waarin de overheid probeert sociale compassie (behoud van inkomen voor de weduwe) te rijmen met de strikte regels van markttoewijzingen.

Historische Context

De terminologie in het document geeft belangrijke historische context:
* "Wethouder voor de Levensmiddelen" en "Vischverdeeling": Deze termen duiden op een periode van sterke overheidsregulering en distributie van schaarse goederen. Dit wijst op de oorlogsjaren (1940-1945) of de directe wederopbouwperiode in Nederland, waarin de toewijzing van handelsplaatsen en voorraden cruciaal was voor het levensonderhoud.
* De Markten: De Albert Cuypmarkt en de Dappermarkt waren (en zijn) de belangrijkste dagmarkten van Amsterdam. De strijd om een vaste plek was groot, wat de noodzaak voor deze officiële correspondentie verklaart.
* Spelling: Het gebruik van de 'oude' spelling (visch, ondergeteekenden, dezerzijds) was de standaard in formele overheidsstukken tot de spellinghervorming van Marchant (1934) en de definitieve aanpassing in 1947. Gezien de context van de visverdeling is een datering rond 1941-1944 het meest aannemelijk.

Kooplieden in dit dossier 18

Gerelateerde Documenten 6