Getypte officiële brief (doorslag).
Origineel
Getypte officiële brief (doorslag). 16 januari 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Rechtsboven, handgeschreven:]
4 ex. Mr. de Maar.
[Links boven het midden, getypt:]
VP/HG.
[Naast bovenstaande, handgeschreven:]
extra
[Links, getypt:]
33/2/10 M.
[Rechts, getypt:]
16 Januari 1940.
[Adresseringsblok, rechts:]
den Heer J.A.A. Weterings,
Groenburgwal 67 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 3.
[Brieftekst:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 5 dezer verleen
ik U hierbij alsnog gedurende ten hoogste één maand na
dato dezes uitstel van Uw verplichting om regelmatig Uw
plaatsen op de markten Westerstraat en Mosplein te bezet-
ten, mits U zorg draagt, dat het ook tijdens Uw afwezig-
heid verschuldigde marktgeld wekelijks wordt voldaan.
[Onderschrift:]
De Directeur, * Onderwerp: Toekenning van tijdelijk uitstel van de bezettingsplicht voor marktkoopman J.A.A. Weterings.
* Locaties: Het betreft standplaatsen op twee bekende Amsterdamsche markten: de Westerstraat (Jordaan) en het Mosplein (Amsterdam-Noord).
* Voorwaarden: Het uitstel wordt verleend voor maximaal één maand. De cruciale voorwaarde is dat het "marktgeld" (de staangeldvergoeding) wekelijks doorbetaald moet worden, ook tijdens de afwezigheid van de vergunninghouder.
* Administratieve context: De handgeschreven notitie "4 ex. Mr. de Maar" duidt waarschijnlijk op de distributie van kopieën binnen het ambtelijk apparaat of aan een juridisch adviseur. De code "Wijk 3" bij het adres van de ontvanger refereert aan de toenmalige wijkindeling van Amsterdam. Dit document stamt uit januari 1940, de periode van de 'Schemeroorlog' (Phoney War), vlak voor de Duitse inval in Nederland in mei 1940. In die tijd was de exploitatie van markten strak gereguleerd door de gemeente. Standplaatshouders hadden een 'bezettingsplicht'; als zij hun plek onbeheerd lieten zonder toestemming, konden zij hun vergunning verliezen. Dit systeem zorgde ervoor dat markten gevuld bleven en de gemeente inkomsten behield. De brief illustreert de formele, bureaucratische omgang tussen de gemeente Amsterdam en kleine zelfstandigen in de vroege twintigste eeuw.