Getypte brief op gelinieerd papier.
Origineel
Getypte brief op gelinieerd papier. 17 juli 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Gemeentelijke Marktdienst Amsterdam). Den Heer J.Th. Arentzen, Zaanstraat 14, Amsterdam-Centrum. [Rechtsboven:]
HG.
[Geadresseerde:]
den Heer J.Th.Arentzen,
Zaanstraat 14,
Amsterdam-Centrum.
[Rechts:]
Wijk 16.
17 Juli 1941.
[Kenmerk links:]
25/79/2 M.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 3 Juli jl. verleen ik U
hierbij gedurende drie maanden na dato dezes uitstel van Uw verplich-
ting om regelmatig Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat te bezetten.
U dient er echter zorg voor te dragen, dat het ook tijdens
Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld geregeld wekelijks bij den
dienstdoenden marktambtenaar wordt betaald.
[Ondertekening:]
De Directeur,
[Handtekening in inkt:]
Van de Laar (vermoedelijk) Het document is een officiële beschikking van een gemeentelijke instantie in Amsterdam aan een marktkopman, de heer J.Th. Arentzen. In de brief wordt gereageerd op een verzoek van Arentzen (gedateerd 3 juli 1941) om tijdelijk niet op de markt te hoeven staan.
De directeur verleent voor een periode van drie maanden uitstel van de "bezettingsplicht". Dit hield in dat een vergunninghouder normaal gesproken verplicht was zijn toegewezen plek op de markt fysiek in te nemen om de continuïteit en levendigheid van de markt te waarborgen. Er wordt echter een strikte voorwaarde gesteld: het wekelijkse marktgeld moet onverminderd betaald blijven worden aan de dienstdoende marktambtenaar op locatie. De brief dateert uit juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Ondanks de oorlogssituatie bleven civiele gemeentelijke diensten, zoals het marktbeheer, functioneren volgens de bestaande bureaucratische regels.
De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van Amsterdam. De vermelding "Wijk 16" duidt op de administratieve indeling van de stad of de marktdienst destijds. De reden voor het verzoek om uitstel door de heer Arentzen wordt niet genoemd, maar in deze periode konden schaarste aan goederen, persoonlijke omstandigheden of de algemene oorlogsdreiging een rol spelen. Het feit dat de gemeente akkoord ging mits er betaald werd, toont aan dat de inkomsten uit marktgelden een prioriteit bleven voor het lokale bestuur.