Officiële brief / Vergunning.
Origineel
Officiële brief / Vergunning. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). Den Heer K.A. Goldstein, 1e Jan v.d. Heydenstraat 32 hs, Amsterdam-Zuid (Wijk 17). 25/128/2 M.
Extra
HG.
17 October 1941.
den Heer K.A. Goldstein,
1e Jan v.d.Heydenstraat 32 hs,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 17.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 6 October jl.
verleen ik U hierby tot wederopzegging toestemming zich op Uw
plaats op de markt(en) Albert Cuypstraat -
te laten bystaan - niet vervangen - doorC.J.Oud, geboren 13 Sep-
tember 1902. De U verleende vergunning tot assistentie door J.
Schel komt hiermede te vervallen.
De Directeur, Deze brief is een formeel besluit van een gemeentelijke instantie in Amsterdam. De kern van de boodschap is dat de heer K.A. Goldstein toestemming krijgt om een nieuwe assistent, de heer C.J. Oud (geboren in 1902), in te zetten op zijn marktplaats aan de Albert Cuypstraat. Deze nieuwe assistent vervangt de eerdere assistent, de heer J. Schel, wiens vergunning per direct wordt ingetrokken.
Opvallend is de administratieve precisie: de geboortedatum van de nieuwe assistent wordt vermeld, en er wordt expliciet verwezen naar een eerdere brief van Goldstein van 6 oktober. De term "tot wederopzegging" geeft aan dat de overheid het recht behoudt om deze toestemming op elk moment weer in te trekken. De typefout "doorC.J.Oud" (zonder spatie) en de spelling "hierby" en "bystaan" zijn typerend voor de tijdsperiode en het haastige kantoorwerk. Dit document is gedateerd op 17 oktober 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De context van de Jodenvervolging is hier van cruciaal belang. De achternaam van de ontvanger, Goldstein, duidt op een Joodse achtergrond.
In 1941 intensiveerden de nazi's hun maatregelen om Joodse burgers uit het economische leven te verdrijven. Sinds het begin van dat jaar waren er al diverse verordeningen van kracht die de bewegingsvrijheid en beroepsuitoefening van Joden beperkten. Op markten in Amsterdam, zoals de Albert Cuypmarkt, werden Joodse kooplieden steeds meer in het nauw gedreven. Korte tijd na het opstellen van deze brief, in november 1941, mochten Joodse kooplieden alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan.
Dit document illustreert de verstikkende bureaucratie van die tijd: zelfs voor een ogenschijnlijk kleine wijziging, zoals het vervangen van een hulp op de markt, was expliciete toestemming van de autoriteiten nodig. Voor Joodse ondernemers was dit type correspondentie vaak een voorbode van verdere beperkingen en uiteindelijke onteigening van hun bedrijfsvoering.