Brief / Formele klacht.
Origineel
Brief / Formele klacht. 24 november 1942. R. Schalkwijk, Maanstraat 5, Utrecht. Directeur van Marktwezen te Amsterdam. Noot: De spelling uit het origineel is aangehouden, inclusief grammaticale eigenaardigheden en ontbrekende interpunctie.
Utrecht 24 Nov 1942
402
Aan
Directeur van markt wezen te Amsterdam
Mijnheer [Stempel: Nº 25/59/1 M. 1942 26/11] [Aantekening: m. [...] [onleesbaar]]
Ondergetekende R Schalkwijk Maanstraat 5 Utrecht
Bezocht Dinsdag 24 Nov 1942 als markt koer-man
de markt Albert Cuijpstraat. Hij was daar om 9.45 uur
Vroeg aan de markt meester, die daar liep om plaats.
hij heeft toen een plaats genomen. Had daar ruim
een uur gestaan. Toen om over 11. een jongen man met
koek, naar hem toe kwam. "Voor zulk soort menschen
is het beter dat zij een ander werkkring hebben"
Om te zeggen dat het zijn plaats was. Waar op onderget-
eijde die heb ik van de markt meester gekregen en om
over 11, ga ik hier niet van daan. Waarop de jonge man
met een mijnheer in burger kleeding, hem gelaste
om van de plaats af te gaan. Waarop ondergetekende
antwoorden, dat dat niet gaat om over 11. Toen heb
die man in burger "hij wilde zijn naam niet zeggen"
met een markt meester in uniform als 2 kwajongens
aan de kraam staan trekken, om hem van die plaats
af te krijgen. Toen heeft ondergetekende zijn waar maar
ingepakt en de reis naar Utrecht aanvaard.
Nu komt ondergetekende met de vraag. Is die man
in burger " de menschen zeide tegen hem dat het de
schef van het marktwezen was!" wel voor zijn taak
bereken-t? Moet er op het markt terein geen orde zijn?
Is het nu maar raak als een koopman, meer
als een uur zijn waar heeft uitgestald, en op advies
van zoon onbekwaam iemand zich als een slaaf te
moeten laten gebruiken. Ondergetekende heeft drie
maal de markt in de Albert Cuijpstraat bezocht
maar hij moet eerlijk erkennen dat daar lang niet
orde en tucht heerst.
z.o.z [Aantekening: 25] De brief is een emotionele doch formeel opgestelde klacht van een Utrechtse marktkoopman over zijn behandeling op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam.
De kern van het conflict: Schalkwijk kreeg 's ochtends een plek toegewezen, maar werd twee uur later door een "jongeman met koek" (vermoedelijk een vaste standplaatshouder) en een man in burgerkleding gesommeerd te vertrekken. De situatie escaleerde waarbij de man in burger — die de "chef van het marktwezen" bleek te zijn — samen met een geüniformeerde marktmeester fysiek aan de kraam van Schalkwijk trok.
Taal en stijl: De schrijver hanteert de derde persoon ("ondergetekende", "hij"), wat destijds de norm was voor formele correspondentie met instanties. Het taalgebruik is doorspekt met verontwaardiging; termen als "als 2 kwajongens" en "zich als een slaaf moeten laten gebruiken" onderstrepen zijn gevoel van onrecht. De spelling ("koer-man" voor koopman, "schef" voor chef) wijst op een schrijver die meer gewend is aan de praktijk van de handel dan aan bureaucratisch schrijven. Het document dateert van november 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de oorlog niet expliciet wordt genoemd, is de context van schaarste en strenge regulering van belang. De Albert Cuypmarkt was een vitale plek voor de voedselvoorziening, maar de sfeer was gespannen door controles en beperkingen.
De klacht over het gebrek aan "orde en tucht" is opmerkelijk. In de bezettingstijd was dit een veelgebruikt retorisch middel: burgers deden vaak een beroep op de noodzaak van orde om hun gelijk te halen bij autoriteiten. Uit de brief blijkt bovendien de moeite die kooplui deden om hun waar aan de man te brengen, zoals het reizen van Utrecht naar Amsterdam, wat in die tijd door vervoersbeperkingen niet vanzelfsprekend was. R. Schalkwijk Marktwezen