Ambtelijke brief / memorandum.
Origineel
Ambtelijke brief / memorandum. 24 januari (jaartal niet expliciet vermeld bovenaan, maar tekst verwijst naar een overeenkomst uit 1920, waarschijnlijk betreft het 1921 of 1922). De Directeur (vermoedelijk van de Centrale Markt of een gerelateerde gemeentelijke dienst). 1 24 Januari 9
68/1/7 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
dat de werkzaamheden na verloop van één jaar na de ondertekening zyn verricht. Voor de Gemeente is deze langere periode nadeelig, omdat, krachtens artikel 14 lid 3 van het concept met ingang van den eersten der maand volgende op de voltooiing der in artikel 4 voorgeschreven werkzaamheden de overeenkomst van 17 Mei/14 Juni 1920 buiten werking treedt, dus niet langer jaarlyks 4% van f 150.000,-, doch (ingevolge artikel 6 van het concept) 3½% van f 36.000,- verschuldigd is.
Op grond van deze overwegingen kan ik de door myn Ambtgenoot voorgestelde aanvulling van artikel 4 niet aanbevelen.
**Artikel 5.** Myn Ambtgenoot stelt een wyziging voor in de 6e (vroeger 5e) zinsnede; dit moet zyn: in de 7e (vroeger 6e) zinsnede.
De aanvullingen in artikel 9, welke door de Spoorwegen, blykens mededeeling van myn Ambtgenoot, in overweging zyn gegeven, zyn my niet bekend. Indien de Centrale Markt hierby eenig belang kan hebben, zal ik deze nog gaarne om advies ontvangen.
De Directeur, * **Financieel belang:** De kern van het eerste argument is van financiële aard. De directeur wijst erop dat een snelle voltooiing van de werkzaamheden gunstig is voor de gemeente Amsterdam. Zodra de nieuwe overeenkomst ingaat, dalen de jaarlijkse lasten aanzienlijk: van 4% over 150.000 gulden naar 3½% over slechts 36.000 gulden.
- Juridische nauwkeurigheid: In de paragraaf over Artikel 5 corrigeert de directeur een administratieve fout van een collega ("Ambtgenoot") betreffende de nummering van zinsneden in het concept.
- Interdepartementale communicatie: Er is sprake van afstemming tussen verschillende diensten (de directeur, een niet nader genoemde ambtgenoot, de Wethouder voor Levensmiddelen en de Spoorwegen). De directeur geeft aan niet volledig op de hoogte te zijn van voorstellen vanuit de Spoorwegen en vraagt om nadere informatie indien dit de Centrale Markt raakt. Dit document past in de geschiedenis van de voedselvoorziening en infrastructuur van Amsterdam in het begin van de jaren '20 van de vorige eeuw. In deze periode werd de Centrale Markthal aan de Jan van Galenstraat ontwikkeld (geopend in 1934, maar de voorbereidingen en de aanleg van spoorverbindingen startten veel eerder).
De referentie naar de overeenkomst van 17 mei/14 juni 1920 suggereert dat men bezig is met het heronderhandelen of verfijnen van contracten na de Eerste Wereldoorlog. De rol van de "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze tijd cruciaal voor de stedelijke distributie. Het document illustreert de nauwgezette wijze waarop ambtenaren waakten over de gemeentekas bij de overgang van oude naar nieuwe infrastructurele contracten.