Officiële brief/kennisgeving.
Origineel
Officiële brief/kennisgeving. 1 juni 1939. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam, gezien de context en adressering). Den Heer C.F.J. Meys, verblijvend in het Binnen Gasthuis, Amsterdam. VP/HG. extra
72/47/2 M.
1 Juni 1939.
den Heer C.F.J. Meys,
Mannenverband 31-40 Zaal 34,
Binnen Gasthuis,
Grimburgwal,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 3.
Naar aanleiding van Uw briefkaart d.d. 25 Mei jl. bericht ik U, dat geen bezwaar bestaat, wanneer U Uw ventvergunning laat vernieuwen, nadat U zult zijn hersteld. U dient er rekening mede te houden, dat U niet moogt venten, zoolang de vernieuwing niet heeft plaats gehad. Indien door den Dienst voor Maatschappelijken Steun het ventgeld voor U is opgespaard, kan de betaling plaatsvinden door overlegging van een door dien Dienst afgegeven bon.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek van de heer Meys. De kernpunten zijn:
1. Toestemming voor vernieuwing: De heer Meys mag zijn ventvergunning vernieuwen zodra hij hersteld is van zijn ziekte of letsel.
2. Verbod op venten zonder geldige vergunning: Er wordt expliciet gewaarschuwd dat hij niet mag venten (straatverkoop) zolang de vergunning nog niet officieel is vernieuwd.
3. Financiële afwikkeling: Er is sprake van "ventgeld" dat mogelijk voor hem is gespaard door de Dienst voor Maatschappelijken Steun. Dit bedrag kan hij innen met een officiële bon van die dienst.
4. Toon: De toon is zakelijk, bureaucratisch en strikt volgens de toenmalige regels voor officiële correspondentie. De brief dateert van vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De locatie van de ontvanger, het Binnen Gasthuis aan de Grimburgwal in Amsterdam, was destijds een belangrijk ziekenhuis. De aanduiding "Mannenverband" duidt op een mannenafdeling.
De vermelding van de Dienst voor Maatschappelijken Steun (de voorloper van de sociale dienst) en de noodzaak van een ventvergunning schetsen een beeld van de sociaaleconomische situatie van die tijd. Venten was voor veel mensen uit de lagere sociale klassen een cruciale bron van inkomsten, maar was streng gereguleerd door de gemeente. De brief laat zien hoe de overheid controle hield op deze beroepsgroep, zelfs tijdens ziekte. Het feit dat er geld voor hem "opgespaard" werd door een sociale dienst, suggereert dat de heer Meys mogelijk afhankelijk was van ondersteuning of dat er een verplichte spaarregeling gold voor vergunninghouders. C.F.J. Meys Meys mag (De heer)