Archiefdocument
Origineel
4 Juli 1939. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). Den Heer M. van Beetz, Marco Polostraat 242, Amsterdam-West. [Handgeschreven, rechtsboven:] M. Müller
[Typewerk, linksboven:] HG.
[Typewerk, links:]
85/77/1 M.
1
[Handgeschreven, diagonaal in het midden:] Verzonden 5/7
[Typewerk, rechts:]
4 Juli 1939.
den Heer M. van Beetz,
Marco Polostraat 242,
Amsterdam-West.
Wijk 26A.
In bijlage doe ik U een overzicht toekomen van door
U verschuldigd standplaatsgeld wegens het plaatsen van kra-
men. Indien U deze schuld, alsmede hetgeen U op den betaal-
dag verder aan kramengeld schuldig is, niet uiterlijk Vrij-
dag 7 Juli a.s. betaalt bij den kassier te mijnen kantore,
Jan van Galenstraat 14, zal aan Burgemeester en Wethouders
worden voorgesteld, de U verleende vergunning tot het plaat-
sen van kramen in te trekken. Uw kramen enz. zullen dan
niet meer op de markten worden toegelaten; Uw huurders
zullen dan verplicht zijn hun kramen enz. elders te huren.
De Directeur,
--- Deze brief is een officiële sommatie aan de heer M. van Beetz. Van Beetz verhuurt blijkbaar marktkramen op de Amsterdamse markten en heeft een achterstand in de betaling van het standplaatsgeld voor deze kramen.
De tekst is formeel en dwingend van aard. De afzender stelt een harde deadline (7 juli 1939) voor de betaling op het kantoor aan de Jan van Galenstraat. Indien de betaling niet op tijd wordt voldaan, volgt er een zware sanctie: het voordragen aan het College van Burgemeester en Wethouders om zijn exploitatievergunning in te trekken. Dit zou betekenen dat de kramen van Van Beetz niet meer op de markt mogen staan, wat directe gevolgen heeft voor zijn bedrijfsvoering en zijn klanten (de huurders van de kramen).
De handgeschreven aantekeningen geven inzicht in de administratieve afhandeling: de naam 'M. Müller' bovenaan verwijst mogelijk naar een behandelend ambtenaar, en de aantekening 'Verzonden 5/7' geeft aan dat de brief de dag na dagtekening daadwerkelijk is verstuurd.
--- Het document dateert van juli 1939, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De locatie van het kantoor, Jan van Galenstraat 14, was destijds de zetel van de Gemeentelijke Markt- en Havenpolitie en de Centrale Markthallen in Amsterdam.
De heer M. van Beetz (Mozes van Beetz) was een Joodse marktkoopman en kramenverhuurder. In de jaren '30 en '40 werden Joodse ondernemers vaak geconfronteerd met strengere controles en administratieve druk. Hoewel deze brief een reguliere invorderingsmaatregel lijkt, past het in de bredere context van de economische positie van Joodse Amsterdammers vlak voor de bezetting. Uit archieven blijkt dat Mozes van Beetz en zijn gezin de Holocaust niet hebben overleefd; hij werd in 1942 vermoord in Auschwitz. Dit document vormt daarmee een klein, bureaucratisch spoor van een leven en een onderneming die kort daarna door de oorlog en de vervolging zouden worden vernietigd.