Officiële brief / Administratief besluit.
Origineel
Officiële brief / Administratief besluit. 15 februari 1940 (met handgeschreven aantekening: verzonden 16 februari 1940). Onbekend, waarschijnlijk een directeur van een Amsterdamse gemeentelijke dienst (mogelijk de Dienst van het Marktwezen). Den Heer I. de Hond, Nieuwe Keizersgracht 61 III, Amsterdam-Centrum (Wijk 10). [Rechtsboven, handgeschreven:] 4ex. M. de Raer
[Linksboven, getypt:] vP/HG.
[Linksboven, onder kenmerk:] 33/20/2 M.
[Midden links, handgeschreven stempel:] Verzonden 16/2-'40.
[Rechtsmidden, getypt:] 15 Februari 1940.
den Heer I.de Hond,
Nwe.Keizersgracht 61 III,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 24 Januari jl. verleen ik U hierbij gedurende ten hoogste drie maanden na dato dezes uitstel van Uw verplichting om regelmatig Uw plaats op de markt Westerstraat te bezetten, mits U zorg draagt, dat het ook tijdens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld wekelijks wordt betaald. Bovendien sta ik U toe om gedurende ten hoogste drie maanden na dato dezes geen plaats op de markt Albert Cuypstraat, voor welke markt U een voorkeurskaart is verleend, in te nemen.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord op een verzoek van de heer I. de Hond. De heer De Hond was blijkbaar een marktkoopman met vaste staanplaatsen op twee van de bekendste markten van Amsterdam: de Westerstraat en de Albert Cuypstraat.
De kernpunten van het besluit zijn:
1. Verlof bij afwezigheid: De ontvanger krijgt officieel uitstel van de plicht om zijn marktplaats op de Westerstraat persoonlijk te bezetten voor een periode van maximaal drie maanden.
2. Financiële voorwaarde: Ondanks zijn afwezigheid blijft de verplichting bestaan om wekelijks het "marktgeld" (staangeld) te voldoen. Dit wijst op een streng gereguleerd systeem waarbij men het recht op een plek verloor als men niet aanwezig was of niet betaalde.
3. Albert Cuypmarkt: Voor de Albert Cuypmarkt had de heer De Hond een "voorkeurskaart". Ook voor deze markt krijgt hij ontheffing om zijn plek voor drie maanden niet in te nemen.
De toon van de brief is strikt zakelijk en administratief, kenmerkend voor gemeentelijke correspondentie uit die tijd. De datum van de brief, 15 februari 1940, is historisch gezien zeer saillant. Nederland was op dat moment nog neutraal, maar de dreiging van de Tweede Wereldoorlog hing over het land (de mobilisatie was al sinds augustus 1939 van kracht). Slechts drie maanden na het versturen van deze brief, in mei 1940, zou de Duitse inval plaatsvinden.
De adressering aan "den Heer I. de Hond" aan de "Nwe. Keizersgracht" is van belang. De Nieuwe Keizersgracht lag in het hart van de Amsterdamse Joodse buurt. De achternaam 'De Hond' kwam veelvuldig voor binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam, van wie velen werkzaam waren in de ambulante handel en op de markten.
Dit document geeft een inkijkje in het normale dagelijkse leven en de bureaucreatie vlak voordat de bezetting de levens van Joodse Amsterdammers en de organisatie van de Amsterdamse markten ingrijpend en op tragische wijze zou veranderen. Het feit dat de heer De Hond drie maanden uitstel vroeg (tot mei 1940), roept de onbeantwoorde vraag op wat de reden was voor zijn tijdelijke afwezigheid vlak voor het uitbreken van de oorlog in Nederland.