Ambtelijke adviesbrief (doorslag/archiefexemplaar).
Origineel
Ambtelijke adviesbrief (doorslag/archiefexemplaar). 10 september 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-afdeling in Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:] m. de Boer
[Linksboven:]
33/70 A/2
30/47/2 m.
1
VP/HG.
[Midden boven, handgeschreven:] Verzonden 10/9
[Rechtsboven:] 10 September 1940.
[Links:]
Verzoek van L.a Cathan om
intrekking marktplaats Wester-
straat ongedaan te maken.
[Rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 2 Augustus jl. om advies ontvangen stuk no.23/4 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat een aan adressant verleende vaste plaats op de markt Westerstraat op 3 Juni jl. is ingetrokken wegens het niet geregeld bezetten dier plaats, zulks overeenkomstig artikel 11 sub a van het Reglement op de Markten. Terwijl adressant, krachtens artikel 9 sub b van voornoemd Reglement, ten minste drie dagen moet uitstallen op een weekmarkt, gedurende het tijdvak, waarin die markt vier keer wordt gehouden, heeft hij gedurende de 22 weken, die aan de intrekking van zijn marktplaats vooraf gingen, de markt Westerstraat slechts zeven maal bezocht. De mededeeling van adressant, dat de intrekking van zijn plaats zou zijn geschied, zonder dat hij vooraf werd gewaarschuwd, is onjuist. Hij werd op 11 Januari en op 3 April 1940 gewaarschuwd, dat hij zijn plaats regelmatig moest innemen. Aan deze waarschuwingen heeft hij geen gevolg gegeven.
Ik heb de eer U te adviseeren den adressant te doen berichten, dat zijn verzoek om andermaal in het bezit der marktplaats Westerstraat te worden gesteld niet voor inwilliging in aanmerking kan komen.
De Directeur, Deze brief betreft een ambtelijk advies over het bezwaarschrift van een marktkraamhouder genaamd L.a Cathan. Cathan had een vaste plaats op de markt in de Westerstraat (Amsterdam), maar deze was op 3 juni 1940 ingetrokken. De reden hiervoor was "verzuim": hij was in de 22 weken voorafgaand aan de intrekking slechts 7 keer komen opdagen, terwijl het reglement minimaal drie dagen per week voorschreef. Cathan claimde dat hij niet gewaarschuwd was, maar de Directeur weerlegt dit door te wijzen op twee eerdere officiële waarschuwingen in januari en april 1940. Het advies aan de wethouder is dan ook negatief: de plaats wordt niet teruggegeven. De brief is gedateerd op 10 september 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een strikt administratieve toon heeft over het naleven van marktreglementen, is de context van de vroege bezettingsjaren van belang. De naam 'Cathan' (mogelijk een variant van Nathan of een Sefardische naam) zou erop kunnen wijzen dat de betrokkene van Joodse afkomst was. In de loop van 1940 en 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds vaker door middel van (soms gezochte) administratieve maatregelen van de reguliere markten geweerd, nog voordat de officiële segregatie naar aparte "Joodse markten" werd doorgevoerd. Of dit hier specifiek meespeelt is niet expliciet vermeld, maar de strikte handhaving van aanwezigheidsregels was vaak een instrument om "ongewenste" kooplieden hun vergunning te ontnemen. Marktwezen