Administratief bijblad/notitie op een voorgedrukt formulier (Alg. Zaken Model No. 14).
Origineel
Administratief bijblad/notitie op een voorgedrukt formulier (Alg. Zaken Model No. 14). 18 september 1940 (met een latere paraaf op 21 september 1940). [In kader linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 33/81/1 1940
DOORGEZONDEN: n/g
[Rechtsboven]
727
[Hoofdtekst]
B. Bleekrode - Pam
pl. w. Westerstraat.
(echtgen. heeft plaats op de Nieuwmarkt)
Het verzoek van mw B. Bleekrode - Pam moet
m.i. worden bericht, dat zij ~~dat verzoek~~
3 maal in de 4 weken een plaats op
de markt Westerstraat moet innemen,
daar anders intrekking zal plaats
vinden.
[Linksonder hoofdtekst]
21/9/40 [paraaf]
[Rechtsonder hoofdtekst]
18-9-40
de Haas
[Onderkant midden]
33/81/2 6.
[Gedrukt linksonder]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document is een interne ambtelijke instructie of advies, hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de Amsterdamse Marktdienst. De ambtenaar (ondertekend door 'de Haas') reageert op een verzoek van mevrouw B. Bleekrode-Pam betreffende haar marktplaats in de Westerstraat. In de kanttekening wordt vermeld dat haar echtgenoot reeds een standplaats heeft op de Nieuwmarkt.
De kern van de beslissing is een sommatie: mevrouw Bleekrode-Pam moet worden medegedeeld dat zij verplicht is haar standplaats op de Westerstraat ten minste drie keer per vier weken effectief te bezetten. Indien zij hier niet aan voldoet, zal de vergunning worden ingetrokken. Dit duidt op een streng beleid waarbij marktkooplieden hun schaarse standplaatsen niet onbenut mochten laten. De datum van het document, september 1940, is historisch van belang. Het bevindt zich in de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland. De naam Bleekrode is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam (bekend is onder anderen de kunstenaar Meijer Bleekrode).
Hoewel de grootschalige uitsluiting van Joden van de markten pas in 1941 officieel en dwingend werd door de bezetter, was er in 1940 al sprake van toenemende administratieve controle. De nadruk op de standplaats van de echtgenoot en de dreiging met intrekking wegens mogelijk verzuim kan wijzen op een poging van het gemeentelijk apparaat om de regels strikt toe te passen op Joodse vergunninghouders, wat vaak een opmaat was naar latere onteigening of uitsluiting. De referentienummers suggereren dat dit blad onderdeel is van een groter dossier over marktvergunningen in de oorlogsjaren. B. Bleekrode M. No