Archief 745
Inventaris 745-325
Pagina 146
Dossier 11
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

10 december 1940 Van: De Directeur van het Marktwezen Amsterdam

Origineel

10 december 1940 De Directeur van het Marktwezen Amsterdam [Briefhoofd met logo van de gemeente Amsterdam: de drie kruisen onder een kroon]
MARKTWEZEN AMSTERDAM HG.

TELEFOONNUMMER 85151
VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN

[Handgeschreven aantekening bovenaan:] Verzonden 10/12

No. 33/109/3 M.
BIJLAGE ...........................
ONDERWERP : .......................

AMSTERDAM (W.) 10 December 1940.
JAN VAN GALENSTRAAT 14

AAN den Heer B. Appel,
Rijnstraat 4 I,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 22A.

Op grond van het feit, dat U geen gevolg hebt gegeven aan de aan U gerichte schriftelijke waarschuwing om Uw plaats op de markt Westerstraat regelmatig te bezetten, behoort Uw marktplaats ingevolge artikel 11 van het Reglement op de Markten te worden ingetrokken.

Alvorens hiertoe te besluiten roep ik U op om op 11 Dec. tusschen 10-12 uur of op 13 Dec. om 10 uur v.m. te komen bij den Inspecteur van mijn dienst, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West.

De Directeur,

[Linksonder in de marge:]
A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-9-'39-526. Deze brief is een formeel administratief schrijven van de gemeentelijke dienst Marktwezen in Amsterdam. De toon is zakelijk en juridisch bindend. De kern van de brief is een voornemen tot het intrekken van een vergunning voor een marktplaats op de Westerstraat-markt.

De juridische grondslag voor deze maatregel is artikel 11 van het geldende Marktreglement. De reden is het "niet regelmatig bezetten" van de staanplaats, nadat de betrokkene hierover al eerder schriftelijk was gewaarschuwd. Voordat de directeur een definitief besluit neemt, krijgt de geadresseerde, de heer B. Appel, de gelegenheid om zich te verantwoorden ("hoor en wederhoor") bij de inspecteur aan de Jan van Galenstraat.

Het gebruik van een voorgedrukt formulier (Model No. 8) duidt erop dat dit een gestandaardiseerde procedure was voor marktkooplieden die hun verplichtingen niet nakwamen. De datum van 10 december 1940 is cruciaal voor de historische duiding van dit document. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De bezetter was reeds begonnen met het systematisch invoeren van anti-Joodse maatregelen.

De geadresseerde, Barend Appel, was een Joodse marktkoopman. Hij woonde in de Rijnstraat, een buurt met een aanzienlijke Joodse populatie in die tijd. Hoewel de brief een louter administratieve reden opgeeft (het niet bezetten van de kraam), moet dit worden gezien in het licht van de toenemende druk op Joodse ondernemers. Pesterijen, een gespannen atmosfeer en de eerste beperkingen zorgden ervoor dat het voor Joodse handelaren steeds moeilijker werd hun werk op de reguliere markten uit te voeren.

Kort na deze brief, in 1941, zouden Joden volledig worden uitgesloten van de reguliere markten in Amsterdam en verbannen worden naar speciaal aangewezen "Joodse markten". Uit archiefonderzoek (zoals het Joods Monument) blijkt dat Barend Appel in 1943 is vermoord in Sobibor. Dit document illustreert hoe de bureaucratie, soms onder het mom van reguliere regelgeving, de uitsluiting van Joodse burgers uit het publieke en economische leven in de hand werkte.

Samenvatting

Deze brief is een formeel administratief schrijven van de gemeentelijke dienst Marktwezen in Amsterdam. De toon is zakelijk en juridisch bindend. De kern van de brief is een voornemen tot het intrekken van een vergunning voor een marktplaats op de Westerstraat-markt.

De juridische grondslag voor deze maatregel is artikel 11 van het geldende Marktreglement. De reden is het "niet regelmatig bezetten" van de staanplaats, nadat de betrokkene hierover al eerder schriftelijk was gewaarschuwd. Voordat de directeur een definitief besluit neemt, krijgt de geadresseerde, de heer B. Appel, de gelegenheid om zich te verantwoorden ("hoor en wederhoor") bij de inspecteur aan de Jan van Galenstraat.

Het gebruik van een voorgedrukt formulier (Model No. 8) duidt erop dat dit een gestandaardiseerde procedure was voor marktkooplieden die hun verplichtingen niet nakwamen.

Historische Context

De datum van 10 december 1940 is cruciaal voor de historische duiding van dit document. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De bezetter was reeds begonnen met het systematisch invoeren van anti-Joodse maatregelen.

De geadresseerde, Barend Appel, was een Joodse marktkoopman. Hij woonde in de Rijnstraat, een buurt met een aanzienlijke Joodse populatie in die tijd. Hoewel de brief een louter administratieve reden opgeeft (het niet bezetten van de kraam), moet dit worden gezien in het licht van de toenemende druk op Joodse ondernemers. Pesterijen, een gespannen atmosfeer en de eerste beperkingen zorgden ervoor dat het voor Joodse handelaren steeds moeilijker werd hun werk op de reguliere markten uit te voeren.

Kort na deze brief, in 1941, zouden Joden volledig worden uitgesloten van de reguliere markten in Amsterdam en verbannen worden naar speciaal aangewezen "Joodse markten". Uit archiefonderzoek (zoals het Joods Monument) blijkt dat Barend Appel in 1943 is vermoord in Sobibor. Dit document illustreert hoe de bureaucratie, soms onder het mom van reguliere regelgeving, de uitsluiting van Joodse burgers uit het publieke en economische leven in de hand werkte.

Gerelateerde Documenten 6