Afschrift van een officiële ambtelijke brief.
Origineel
Afschrift van een officiële ambtelijke brief. 30 mei 1940. Inspectie der Successie en Registratie (De Inspecteur). Het College van Burgemeester en Wethouders (B. en W.) te Amsterdam. No.46A/22/1 M.1940 4/6 AFSCHRIFT.
No.530 L.M.1940.
INSPECTIE DER SUCCESSIE Amsterdam, 30 Mei 1940.
EN REGISTRATIE.
No. 2/2233
Onderwerp:
Openbare verkooping van
consignatievisch enz.
Het zij mij vergund U in kennis te brengen met het navol-
gende.
Ingevolge artikel 55 e.v. der Registratiewet 1917 is regis-
tratierecht verschuldigd over door visschers op veilingen aangevoerde
gekochte of in consignatie genomen visch, alsook op ter veiling door
anderen b.v. handelaren aangebrachte vischzendingen.
Nu is het mij opgevallen, dat vanwege Uwe Gemeente nimmer
op de wijze als daarvoor bijzonderlijk is vastgesteld, te mijnent maan-
delijks verklaringen van opbrengst van dusdanige aan de door U aan Uwe
vischhallen aan de De Ruyterkade geveilde vischzendingen werden inge-
leverd.
Een en ander dwingt mij tot de vraag U te verzoeken mij te
willen doen mededeelen of veilingen van gemeld karakter gedurende de
jaren 1938 t/m 1940 niet zijn voorgekomen.
Zoo dit wel het geval mocht zijn geweest, zou ik het op
prijs stellen tevens van U te mogen vernemen, door welke vischhandelaren
en visschers gedurende de jaren 1938, 1939, en 1940 deze z.g.consigna-
tie- en handelsvisch ter veiling zijn gebracht en welke opbrengsten
door hen, zoo mogelijk per veilingsdatum op te geven zijn besomd gewor-
den.
Tevens verzoek ik U in dat geval, in den vervolge maande-
lijks, voor den 15en der maand, te beginnen over de thans loopende maand
overeenkomstig het voorschrift van artikel 4 van het K.B.d.d. 4 Mei
1917 Stbl.no.384, te mijnent in te doen leveren een schriftelijke op-
gave van den dag en van de opbrengst van elke verkooping van dergelijke
visch in de laatste verloopen maand gehouden, alsook binnen veertien
dagen na inlevering dier verklaring bij den Ontvanger der D.B.alhier,
te voldoen het over die opbrengst verschuldigde registratierecht van
0,5 percent, alsmede de daarvoor verschuldigde 20 opcenten.
De Inspecteur der Succ.en Reg.
Aan het College van B. en W. w.g.onleesbaar.
te
Amsterdam. Deze brief is een formele sommatie van de belastinginspectie aan het Amsterdamse gemeentebestuur. De kern van de zaak is een vermeende nalatigheid in het aangeven en afdragen van registratierechten over visveilingen. Volgens de Registratiewet 1917 moest er belasting betaald worden over de opbrengst van vis die in de gemeentelijke visallen aan de De Ruyterkade werd geveild. De inspecteur constateert dat er over de jaren 1938-1940 geen opgaven zijn binnengekomen en eist opheldering: ofwel er waren geen veilingen, ofwel de gemeente moet alsnog de gegevens aanleveren en de achterstallige belasting (0,5% plus 20% toeslag) betalen. Ook wordt de procedure voor toekomstige aangiften strikt herhaald. De datum van de brief, 30 mei 1940, is historisch saillant. Nederland was op dat moment net ruim twee weken bezet door nazi-Duitsland (na de capitulatie op 14 mei). Desondanks toont dit document aan dat de ambtelijke molens en de belastinginning onverstoord doordraaiden. De bureaucratie hield zich vast aan de bestaande wetgeving (de Registratiewet 1917). De visafslag aan de De Ruyterkade (nabij het Centraal Station) was een cruciaal economisch punt voor de Amsterdamse voedselvoorziening en handel. De brief illustreert de strikte controle van de rijksoverheid op de fiscale verplichtingen van gemeenten, zelfs in tijden van acute nationale crisis en transitie naar een bezettingsregime.