Ambtelijk rapport / Brief
Origineel
Ambtelijk rapport / Brief 20 november 1940 De Chef van de Vischmarkt (ondertekend door J. v. Stratum) WelEdelHeer A. H. de Boer, Dienst van het Marktwezen, Amsterdam Rapport.
Inschrijvingen [onderstreept]
Hiermede kan ik U rapporteeren, dat ik de houten amphitheater, welke achter de afslagvlakken staan, heb nagekeken.
Er zijn nog 4 houten gedeelten, die een beetje goed zijn, de anderen zijn zoo goed als op, en vergaan.
Zooals de toestand op heden is met de aanvoeren, zou ik het met deze 4 houten gedeelten, nog wel een poosje kunnen uithouden, hoe lang kan ik niet zeggen, maar totdat de Noordzee visscherij weer begint. Zoodra de Noordzee visscherij begint en de Urkers weer met hun visch aan de markt komen, dan moet de steenen amphitheater klaar zijn, want dan is ze absoluut onmisbaar. -
Hoogachtend,
[Handtekening: J. v. Stratum]
Chef Vischmarkt
20 - 11 - 1940
WelEdelHeer,
A. H. de Boer.
Marktwezen
A’dam.
[Aantekening in rood potlood:]
Vergunning bijvoegen in
dossier [...]
op 46 A/32
[Stempels onderaan:]
No 46 A / 32
22 / 4
M. 1940 4/12 In dit rapport doet de Chef van de Amsterdamse Vismarkt verslag van de deplorabele staat van de houten "amphitheaters". Met deze term worden de getrapte houten tribunes of stellingen bedoeld die bij de visafslag werden gebruikt om de waar te tonen aan kopers. De auteur constateert dat de meeste van deze constructies "vergaan" (verrot) zijn.
De brief is pragmatisch van toon: zolang de aanvoer van vis beperkt is, kan de markt het nog wel even redden met de vier resterende houten secties. Echter, er wordt met klem gewezen op de noodzaak van een duurzame oplossing: een "steenen amphitheater". De urgentie wordt gekoppeld aan de terugkeer van de Urker vissers en de hervatting van de grootschalige Noordzeevisserij. Het document dateert van november 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De visserij op de Noordzee was in deze periode zeer problematisch en gevaarlijk door de aanwezigheid van zeemijnen en de strijd tussen de Kriegsmarine en de Royal Navy. Dit verklaart waarom de "aanvoeren op heden" laag waren.
De Amsterdamse vismarkt was in die tijd gevestigd in de Centrale Vischhallen aan de De Ruijterkade. De Urker vissers waren essentieel voor de Amsterdamse voedselvoorziening; zij brachten hun vangst vaak direct naar de hoofdstad. De transitie van tijdelijke houten structuren naar permanente stenen infrastructuur, zelfs in oorlogstijd, onderstreept het belang dat de gemeente hechtte aan een efficiënte voedseldistributie en een hygiënische marktwerking. De genoemde A.H. de Boer was een prominente functionaris binnen het Amsterdamse Marktwezen.