Archief 745
Inventaris 745-331
Pagina 239
Dossier 55
Jaar 1940
Stadsarchief

Officiële brief/circulaire van de Nederlandsche Visscherijcentrale.

21 maart 1940. Van: Nederlandsche Visscherijcentrale, 's-Gravenhage. Aan: Importeurs van zeevisch.

Origineel

Officiële brief/circulaire van de Nederlandsche Visscherijcentrale. 21 maart 1940. Nederlandsche Visscherijcentrale, 's-Gravenhage. Importeurs van zeevisch. [Bovenaan gecentreerd, paarse stempel:]
Nº 46 B / 8 / 1 M. 1940 ^26/_3

[Briefhoofd:]
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE
JULIANA VAN STOLBERGPLEIN 3-4 'S-GRAVENHAGE
POSTGIROREKENING 245271 TELEFOON 720080*
TELEGRAMADRES: NEDVISCEN INTERCOMM. XX

[Linkerzijde:]
Afd. II No 1541/84.
Betreffende: "Kopgebod".

[Rechterzijde:]
's-Gravenhage, 21 Maart 1940.

[Midden rechts:]
A A N
IMPORTEURS VAN ZEEVISCH.


[Handgeschreven in de linkermarge en over de tekst:]
H. de Heer
tr inzage en
parre retour
[onleesbare paraaf]

Inzien & daarna naar Hr Sterk 26-3-40 dVf

[Body tekst:]
Ingesloten doe ik U toekomen een circulaire, welke is ver-
zonden aan de handelaren, welke als regel koopen op de aanvoer-
plaats IJmuiden. De koopers te Den Helder, Scheveningen en Rotterdam
hebben een gelijkluidende circulaire gekregen. Zooals U uit deze
circulaire zult lezen, is het met ingang van Donderdag 28 Maart
a.s. verboden:

  1. Kabeljauw van een afmeting, grooter dan 55 cm, met uitzondering
    van die, waarvan ten genoegen van de Nederlandsche Visscherij-
    centrale is aangetoond, dat zij als z.g. uitlegkabeljauw kan
    worden beschouwd;
  2. hake (stokvisch);
  3. koolvisch van een afmeting, grooter dan 55 cm;
  4. zeewolf;
  5. leng,

zonder deze van den kop ontdaan te hebben van genoemde afslagplaat-
sen weg te voeren.

In verband met de noodzakelijkheid, dat ook ten aanzien van
ingevoerde visch op dezelfde wijze wordt gehandeld, deel ik U mede,
dat met ingang van genoemden datum eveneens ingevoerde visch van de
hierboven genoemde soorten van den kop moet worden ontdaan, alvo-
rens in het vrije verkeer te mogen worden gebracht. De Nederlandsche
Visscherijcentrale zal in het vervolg slechts Monopolie-Overeen-
komsten afsluiten met die importeurs, die zich bereid verklaren bij
invoer van bovengenoemde vischsoorten deze van den kop te ontdoen.

Teneinde de mogelijkheid te scheppen, dat ook de vischkoppen,
welke door de importeurs worden verzameld, voor verwerking door de
daarvoor

[Onderaan links in kleine cijfers:]
19550 - '40 Dit document is een formele mededeling betreffende nieuwe marktreguleringen in de Nederlandse visserijsector aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het centrale punt is het zogenaamde "kopgebod": de verplichting om bij bepaalde vissoorten (kabeljauw, hake, koolvis, zeewolf en leng) de kop te verwijderen voordat ze verhandeld worden.

De maatregel is tweeledig: het geldt voor de binnenlandse afslagplaatsen (IJmuiden, Den Helder, Scheveningen, Rotterdam) én voor de import. Om naleving door importeurs te garanderen, wordt gedreigd met het uitsluiten van "Monopolie-Overeenkomsten" voor partijen die niet meewerken. Het document breekt abrupt af bij de vermelding van de verwerking van de koppen, wat suggereert dat er een tweede pagina was of dat de koppen centraal ingezameld moesten worden voor industriële doeleinden (zoals vismeelproductie).

De handgeschreven notities duiden op de administratieve afhandeling binnen een bedrijf; de brief werd op 26 maart 1940 (twee dagen voor de ingangsdatum) doorgeleid naar een "Heer Sterk". De brief is gedateerd op 21 maart 1940, tijdens de periode van de Nederlandse mobilisatie en minder dan twee maanden voor de Duitse inval. In deze onzekere tijd was de Nederlandsche Visscherijcentrale (opgericht in 1934 in het kader van de Crisis-Visserijwet) verantwoordelijk voor het reguleren van de vismarkt om de voedselvoorziening en economische stabiliteit te waarborgen.

Het kopgebod had waarschijnlijk een economische en logistieke reden: door de koppen direct te verwijderen, werd transportgewicht bespaard (cruciaal bij brandstofschaarste) en konden de koppen efficiënt worden gecentraliseerd voor de productie van vismeel of visolie. Deze restproducten waren van strategisch belang als veevoeder of grondstof in een oorlogseconomie. De verwijzing naar "Monopolie-Overeenkomsten" weerspiegelt de vergaande staatsinmenging in de handel die kenmerkend was voor de crisistijd en de dreigende oorlogssituatie.

Samenvatting

Dit document is een formele mededeling betreffende nieuwe marktreguleringen in de Nederlandse visserijsector aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het centrale punt is het zogenaamde "kopgebod": de verplichting om bij bepaalde vissoorten (kabeljauw, hake, koolvis, zeewolf en leng) de kop te verwijderen voordat ze verhandeld worden.

De maatregel is tweeledig: het geldt voor de binnenlandse afslagplaatsen (IJmuiden, Den Helder, Scheveningen, Rotterdam) én voor de import. Om naleving door importeurs te garanderen, wordt gedreigd met het uitsluiten van "Monopolie-Overeenkomsten" voor partijen die niet meewerken. Het document breekt abrupt af bij de vermelding van de verwerking van de koppen, wat suggereert dat er een tweede pagina was of dat de koppen centraal ingezameld moesten worden voor industriële doeleinden (zoals vismeelproductie).

De handgeschreven notities duiden op de administratieve afhandeling binnen een bedrijf; de brief werd op 26 maart 1940 (twee dagen voor de ingangsdatum) doorgeleid naar een "Heer Sterk".

Historische Context

De brief is gedateerd op 21 maart 1940, tijdens de periode van de Nederlandse mobilisatie en minder dan twee maanden voor de Duitse inval. In deze onzekere tijd was de Nederlandsche Visscherijcentrale (opgericht in 1934 in het kader van de Crisis-Visserijwet) verantwoordelijk voor het reguleren van de vismarkt om de voedselvoorziening en economische stabiliteit te waarborgen.

Het kopgebod had waarschijnlijk een economische en logistieke reden: door de koppen direct te verwijderen, werd transportgewicht bespaard (cruciaal bij brandstofschaarste) en konden de koppen efficiënt worden gecentraliseerd voor de productie van vismeel of visolie. Deze restproducten waren van strategisch belang als veevoeder of grondstof in een oorlogseconomie. De verwijzing naar "Monopolie-Overeenkomsten" weerspiegelt de vergaande staatsinmenging in de handel die kenmerkend was voor de crisistijd en de dreigende oorlogssituatie.

Kooplieden in dit dossier 45

Gerelateerde Documenten 2