Archiefdocument
Origineel
21 maart 1940 [Briefhoofd]
NEDERLANDSCHE VISSCHERIJCENTRALE
JULIANA VAN STOLBERGPLEIN 3-4 'S-GRAVENHAGE
POSTGIROREKENING 245271 TELEFOON 720080*
TELEGRAMADRES: NEDVISCEN INTERCOMM. XX
[Handgeschreven aantekeningen linksboven]
H. v. Haar [?]
ter inzage en
gaarne retour [Paraaf] 23/3-'40
Inschrijven
en retour
naar Hr. Stam
26-3-'40
aldelen [?]
[Rechtsboven]
's-Gravenhage, 21 Maart 1940.
[Onderwerp en adressering]
Afd.II. № 1544/87.
Betreffende: "kopgebod".
A A N
BELANGHEBBENDEN, koopers op den
afslag te IJMUIDEN.-
[Inhoud]
De tegenwoordige omstandigheden maken het noodzakelijk, dat zuinig wordt omgegaan met afvalstoffen, welke nog geschikt zijn om in een of anderen vorm de volkshuishouding te dienen.
Bij het visscherijbedrijf komen dergelijke afvalstoffen in dikwijls groote hoeveelheden voor, bijvoorbeeld in den vorm van restanten van gefileerde visch, vischkoppen, e.d. Te veel van dit afval verdwijnt nog in de vuilnisbakken; het is noodig, dat door het verzamelen van dit afval op de voornaamste aanvoerplaatsen verspilling van deze voor vischmeelfabrieken zoo noodzakelijke grondstoffen wordt tegengegaan.
In verband hiermede is met ingang van Donderdag, 28 Maart 1940 een Koninklijk Besluit te verwachten, krachtens hetwelk het verboden zal zijn bepaalde soorten rondvisch, welke op de afslagplaatsen, IJmuiden, Scheveningen, Den Helder of Rotterdam zijn verkocht, vandaar te vervoeren of te doen vervoeren, tenzij deze van den kop zijn ontdaan.
Met ingang van genoemden datum zal dit "kopgebod" gelden voor de volgende vischsoorten:
1. Kabeljauw van een afmeting, grooter dan 55 cm, met uitzondering van die, waarvan ten genoegen van de Nederlandsche Visscherijcentrale is aangetoond, dat zij als z.g. uitlegkabeljauw kan worden beschouwd.
2. Hake (Stokvisch).
3. Koolvisch van een afmeting, grooter dan 55 cm.
4. Zeewolf.
5. Leng.
Onder de afmeting wordt hierbij verstaan de lengte, gemeten van de punt van den snuit tot het einde van de staartvin.
Het verbod geldt niet, indien ten genoegen van de Nederlandsche Visscherijcentrale is aangetoond, dat het vervoeren plaats vindt van en naar de hierboven genoemde afslagplaatsen onderling; evenmin is het verbod van toepassing op het vervoer van visch met bestemming naar het buitenland. Zoogenaamde "uitlegkabeljauw",
[Onderaan rechts]
waaronder
[Onderaan links]
19541 - '40
--- * Kernboodschap: De brief kondigt een nieuwe maatregel aan, het zogenaamde "kopgebod". Kopers van specifieke grote vissoorten (zoals kabeljauw boven de 55 cm, hake en koolvisch) op de grote afslagen zijn vanaf 28 maart 1940 verplicht de vissen te ontdoen van hun kop voordat ze vervoerd mogen worden.
* Doel van de maatregel: Het centraal inzamelen van visafval (koppen) voor de vismeelindustrie. Hiermee wilde de overheid voorkomen dat deze "grondstoffen" verloren gingen in het huishoudelijk afval. Vismeel was cruciaal voor de productie van veevoer en meststoffen.
* Uitzonderingen: Het verbod gold niet voor transport tussen de genoemde grote afslagen (IJmuiden, Scheveningen, Den Helder, Rotterdam) onderling, noch voor vis die bestemd was voor de export. Ook kleine vissen en de zogenaamde "uitlegkabeljauw" vielen buiten het gebod.
* Handgeschreven kanttekeningen: Deze wijzen op de interne circulatie van het document binnen een organisatie. Ambtenaren of functionarissen (zoals een zekere heer Stam) moesten het stuk inzien en vervolgens retourneren voor archivering.
--- * Tijdsgeest: Het document is gedateerd op 21 maart 1940, minder dan twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, heerste er al een staat van mobilisatie en economische voorbereiding op schaarste.
* Oorlogseconomie: Het "kopgebod" is een vroeg voorbeeld van een dwingende overheidsmaatregel gericht op hergebruik en grondstoffenbeheer ("volkshuishouding"). In tijden van internationale spanning en dreigende blokkades was Nederland genoodzaakt zelfvoorzienend te worden op het gebied van veevoer en industriële grondstoffen.
* Rol van de Visscherijcentrale: De Nederlandsche Visscherijcentrale fungeerde als een uitvoerend orgaan dat de visserijsector reguleerde in opdracht van de overheid. Dergelijke organisaties kregen tijdens en vlak voor de oorlogsjaren verregaande bevoegdheden om de voedselvoorziening en distributie te beheersen.