Concept-brief (met diverse doorstalingen en toevoegingen).
Origineel
Concept-brief (met diverse doorstalingen en toevoegingen). Amsterdam, 21 maart 1940. Waarschijnlijk een functionaris binnen de visserijsector of een lokaal bestuur in Amsterdam (onderdeel van het dossier van de Nederlandsche Visscherij Centrale). Opmerking: Doorgehaalde woorden zijn waar mogelijk tussen [haakjes] gezet of weggelaten voor de leesbaarheid van de definitieve tekst, tenzij essentieel voor het begrip van de tekstwijziging.
[Linksboven:]
Concept
MvV
[doorgetreepte tekst over visscherijvoorziening]
Amsterdam.
[Rechtsboven:]
Amsterdam, 21 Maart 1940.
[paraaf]
Den Heer Voorzitter van den Levensmiddelenraad.
[In de marge links:]
In de laatste weken,
[Body:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 2 dezer om advies ontvangen stuk no. I/11 Coll. R 1940 heb ik de eer U te berichten, dat de omstandigheden sedert het onderhavige stuk werd opgesteld, belangrijk zijn gewijzigd. De mededeeling, dat “slechts zeer weinig IJmuider schepen in de vaart zijn”, is dan ook thans niet meer juist: in de afgeloopen week (dus tot 16 Maart jl.) waren niet minder dan 4 IJmuider trawlers en 40 Katwijksche en Scheveningsche loggers ter vischvangst (ter tijde van de vergadering der met den Levensmiddelenraad verbonden Commissie voor visch bedroeg het aantal trawlers slechts 16 à 20 en waren nagenoeg geen loggers in de vaart). De aanvoer van visch te IJmuiden is zoo groot, dat de reeders aldaar en ook de Directie der Nederlandsche Visscherij Centrale zich afvragen of Nederland dezen hoeveelheden visch zal kunnen blijven afnemen, mede omdat de exportkansen zeer ongunstig zijn (Hierbij komt dat er minder gevraagd wordt dan in vredestijd en de vangkans veel groter is nu de schepen weer de gronden gaan thans de visschers die in de vorstperiode niet hebben gezeten, weer vangen, hetgeen speciaal voor Amsterdam van belang is).
Terwijl dus de aanvoer te IJmuiden thans voldoende groot is te achten, veronderstelde de Commissie ten onrechte, dat de Regeering nog extra-consenten voor den import van buitenlandsche visch zou verleenen. Dit berust op een misvatting, daar de contingenteering voor den invoer van visch is opgeheven. Weliswaar is het invoer-monopolie van de Nederlandsche Visscherij Centrale blijven bestaan, doch deze staat thans den import toe aan elken vroegeren consenthouder, zonder dat deze aan contingenten gebonden is; bovendien – en dit acht ik vrij belangrijk – heeft de Centrale mij toegezegd, dat 1 van 100 pond kost alleen aan vracht, verzekering enz f 10,-, alvorens het in handel komt. (het contingent voor export naar Duitschland is nagenoeg uitgeput). Dit document is een kladversie van een ambtelijke brief, geschreven in de "Sitzkrieg"-periode van de Tweede Wereldoorlog (maart 1940), toen Nederland nog neutraal was maar de economie al zwaar werd beïnvloed door de oorlog ter zee.
De kern van het betoog is een correctie op verouderde informatie:
1. Herstel van de vloot: Waar eerder werd gedacht dat de vloot stillag, meldt de schrijver dat er weer volop gevist wordt door trawlers uit IJmuiden en loggers uit Katwijk en Scheveningen.
2. Overschot versus Export: Door de oorlogsomstandigheden en mijnengevaar zijn de exportkansen naar het buitenland (waaronder Duitsland) beperkt, terwijl de aanvoer in IJmuiden juist groot is. Men vreest voor een overschot op de binnenlandse markt.
3. Regulering: Er is sprake van een technische discussie over 'consenten' (vergunningen) en 'contingentering' (quota). De schrijver verduidelijkt dat het monopolie van de Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC) nog wel bestaat, maar dat de importbeperkingen in de praktijk zijn versoepeld, hoewel de kosten (vracht en verzekering) door de oorlogssituatie extreem hoog zijn.
De vele doorhalingen en invoegingen laten zien hoe nauwgezet de formulering werd overwogen in een tijd van economische onzekerheid. De Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC) werd in de jaren '30 opgericht om de visserijsector te reguleren tijdens de economische crisis. Tijdens de mobilisatie (1939-1940) kreeg de NVC een cruciale rol in de voedselvoorziening en het beheer van de import en export onder oorlogsdreiging.
Maart 1940 was een kritieke maand: de strenge winter ("vorstperiode") was net voorbij, waardoor schepen weer konden uitvaren. Echter, de Noordzee was gevaarlijk door zeemijnen en de dreiging van de Duitse marine, wat de hoge kosten voor verzekeringen verklaart waar in de laatste alinea aan wordt gerefereerd. De brief illustreert de frictie tussen de bureaucratische adviezen van de "Levensmiddelenraad" en de snel veranderende realiteit op de kades van IJmuiden.