Ambtsbericht of rapportage (doorslag of concept met correcties).
Origineel
Ambtsbericht of rapportage (doorslag of concept met correcties). 19 mei 1941. [Linkerpagina, bovenzijde]
en geen bezwaar hebben dat zij elk een standplaats houder
tegen hun gevel aan krijgen.
Na bespreking op het Stadhuis met de Afdeeling
Levensmiddelen en Publieke Werken, heb ik in overleg met
~~het Hoofdbureau van Politie~~
den Heer Gerritsema de volgende oplossing gevonden.
E (rood). J. Swart - handkar - met gerookte en gestoomde, geza-
tenen gedroogde visch.
[De tekst in het midden van de linkerpagina wordt grotendeels bedekt door een opgeplakt strookje papier met fragmentarische aantekeningen zoals "straat", "huis", "afwisse", "verordening" en diverse getallen.]
[Onderaan linkerpagina]
-1-
Indien nu bovengenoemde kooplieden
deze regeling aanvaarden, zal de Politie alle medewerking
verleenen, dat zij ook deze plaatsen krijgen, vinden zij
ook deze oplossing niet naar hun zin, dan kunnen
[Rechterpagina]
zij niet meer voor een plaats in aanmerking komen,
want dan is er niets meer.
Het zullen misschien eenigen van hen voorloopig
niet direct op de hun aangewezen plaats kunnen staan,
vanwege de uitvoering van werken door de Gemeente-
Tram en Publieke Werken, ook hiervoor is de ~~Politie~~
~~Gerritsema~~ bereid mede te werken, indien zij ^de^ ^hoogliever-^ ^-en^
dan maar direct [omcirkeld: dit] melden, door zich te vervoegen
aan het Hoofdbur. van Politie en te vragen naar
de Inspecteur standplaatsen - kamer 2. ( ~~geen~~
~~naam van Inspecteur noemen~~ ), deze zal zich dan met
het Sectie-bureau, Bureau van Politie, Linnaeusstraat,
in verbinding stellen en hem opdragen, genoemde
koopman tijdelijk toestemming te verleenen elders
te gaan staan!
Amsterdam, 19 Mei 1941.
De Controleur.
[Onleesbare handtekening, mogelijk C. v. Dijk] Dit document betreft de administratieve afhandeling van standplaatsvergunningen voor straathandelaren in Amsterdam. De schrijver, een controleur, rapporteert over een overleg tussen verschillende gemeentelijke afdelingen en de politie om een "oplossing" te vinden voor de lokalisatie van kooplieden, specifiek bij de gevels van gebouwen.
Opvallend is de dwingende toon onderaan de eerste pagina: als de kooplieden de voorgestelde regeling niet accepteren, komen zij niet meer in aanmerking voor een plek ("want dan is er niets meer"). De tekst bevat veel correcties, wat wijst op een conceptversie waarbij de exacte bevoegdheden (wie is bereid mee te werken: de politie of de heer Gerritsema) tijdens het schrijven werden gepreciseerd. De verwijzing naar het Sectiebureau aan de Linnaeusstraat duidt erop dat het hier (onder meer) om de Amsterdamse Oosterparkbuurt gaat. De datum, 19 mei 1941, is cruciaal voor de historische context. Nederland was op dat moment een jaar bezet door nazi-Duitsland. Hoewel de brief op het eerste gezicht puur bureaucratisch lijkt, vond deze herindeling van standplaatsen plaats in een periode waarin de bezetter en de collaborerende gemeente Amsterdam steeds meer beperkende maatregelen oplegden, in het bijzonder aan Joodse marktkooplieden.
Vanaf begin 1941 werden Joodse Amsterdammers systematisch uit het openbare leven en uit hun beroepen verdrongen. In de maanden rond mei 1941 werd de straathandel in Amsterdam strenger gereguleerd en werden Joodse handelaren uiteindelijk verbannen naar specifieke "Joodse markten". Hoewel de naam "J. Swart" in dit document niet direct als Joods te identificeren is, past de strikte herindeling en de "slik of stik"-mentaliteit van de overheid in de bredere context van de gelijkschakeling en uitsluiting tijdens de bezetting. De betrokkenheid van de politie bij de toewijzing van standplaatsen was in deze periode eveneens een instrument van controle.