Ambtelijke adviesnota (doorslag/kopie).
Origineel
Ambtelijke adviesnota (doorslag/kopie). De Directeur (vermoedelijk van de Dienst voor het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven bovenaan:] Extra
D/HG.
18/4/8 M.
1
18 Maart 1941.
Aanvrage standplaatsvergunning
ten name van N. Lijmer.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 18 Februari jl. om advies ontvangen stuk No. 5/17 L.M. 1941 heb ik de eer U te berichten, dat ik mij met het daarop gestelde rapport van den Hoofdcommissaris van Politie d.d. 12 Februari jl. Ir. S. No. 1141/1941 Dossier U.v.b. kan vereenigen. Ik merk hierbij nog op, dat adressant, tijdens de door ambtenaren van mijn dienst in de Camperstraat en omgeving gehouden enquête in verband met het uitvaardigen van een ventverbod ter plaatse en het uitgeven van vaste standplaatsen (vide mijn rapport van 27 Februari jl. No. 18/4/7 M.), niet is aangetroffen, terwijl het den controleerenden ambtenaren van mijn dienst bekend is, dat hij reeds geruimen tijd niet meer in de Camperstraat en naaste omgeving placht te venten. Voorts werd mij nog gerapporteerd, dat adressant destijds een van de ergste verstoorders van de rust in de omgeving van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis is geweest.
Op grond van het bovenstaande geef ik U beleefd in overweging op het onderhavige verzoek afwijzend te beschikken.
De Directeur, De brief is een formeel negatief advies betreffende een vergunningsaanvraag. De directeur voert drie redenen aan om de aanvraag van N. Lijmer af te wijzen:
1. Concordantie met de politie: Hij is het eens met een eerder negatief rapport van de Hoofdcommissaris van Politie.
2. Afwezigheid bij controle: Tijdens een onderzoek naar de herinrichting van de marktactiviteiten in de Camperstraat (het vervangen van vrij venten door vaste standplaatsen) werd de aanvrager niet aangetroffen. Volgens de dienst ventte hij daar al langere tijd niet meer.
3. Gedrag in het verleden: De aanvrager wordt expliciet beschreven als iemand die in het verleden de rust rondom het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) ernstig heeft verstoord.
De toon is typisch voor de ambtelijke correspondentie van die tijd: uiterst beleefd maar beslist. Het document dateert van maart 1941, ruim tien maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de uitsluiting van Joodse burgers uit het openbare en economische leven in Amsterdam hand over hand toe.
De achternaam "Lijmer" is een bekende Joodse familienaam in Amsterdam. Hoewel de brief zich richt op ordelijke argumenten (rustverstoring, niet aanwezig zijn bij enquête), moet dit document gezien worden in het licht van de bureaucratische uitsluiting. In 1941 werden Joodse straatverkopers stelselmatig geweerd. Vaak werden administratieve redenen of "klachten over overlast" aangegrepen om vergunningen te weigeren of in te trekken, nog voordat de segregatie in november 1941 officieel werd met de instelling van de "Joodse markten". De Camperstraat lag in een buurt met veel Joodse inwoners; de herstructurering van het marktwezen aldaar was een instrument voor de bezetter en de meewerkende gemeente om grip te krijgen op deze groep ondernemers.