Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning.
Origineel
Aanvraagformulier voor een standplaatsvergunning. 9 januari 1941. Amsterdam, 9 Januari 1941
Hiermede verzoekt ondergetekende:
Mozes Aronson 29-9-1895
wonende Vrolikstraat 130 II
houder(ster) van ventvergunning serie L. no 237 in aanmerking te
mogen komen voor een standplaats-vergunning
voor alle werkdagen behalve des Zaterdags en voor den Zondag
voor Tilanusstraat
van 8 uur tot 8 uur (Zondags 10 uur).
Op den openbaren weg, de Tilanusstraat voor perceel No 57.
voor den verkoop van Fruit
met een handkar
Handteekening van de(n) aanvrager(ster),
[Links in de marge:]
Bemerking
Zaterdag niet.
[Handtekening:]
M. Aronson. Het document is een formeel verzoekschrift aan de gemeente Amsterdam voor het verkrijgen van een vaste standplaats op de openbare weg. De aanvrager, Mozes Aronson, is een 45-jarige man die op dat moment reeds een 'ventvergunning' (om rond te trekken met handelswaar) bezit, maar een vaste plek ambieert in de Tilanusstraat, ter hoogte van nummer 57. Hij verkoopt fruit vanaf een handkar.
Een cruciaal detail in de aanvraag is de werktijdenregeling. In de gedrukte tekst is "behalve des Zaterdags" opgenomen, wat Aronson handmatig heeft bekrachtigd met de kanttekening "Bemerking Zaterdag niet." Dit bevestigt dat de aanvrager zich hield aan de joodse sabbat. Als compensatie voor de zaterdag vraagt hij toestemming om op zondag te werken vanaf 10:00 uur. Dit document is opgesteld in januari 1941, acht maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de druk op de joodse bevolking in Amsterdam snel toe. Slechts een maand na deze aanvraag zou de situatie in de stad escaleren tijdens de Februaristaking van 1941.
Voor joodse kleine zelfstandigen en straathandelaren werd het uitoefenen van hun beroep steeds moeizamer door de invoering van discriminerende verordeningen. Uiteindelijk zouden joodse handelaren volledig uit de reguliere markthandel worden verbannen en werden zij gedwongen op speciaal aangewezen 'joodse markten' te staan, voordat zij definitief van hun bestaansmiddelen werden beroofd. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Mozes Aronson de Holocaust niet heeft overleefd; hij werd in augustus 1942 vermoord in Auschwitz. Dit formulier is een van de laatste administratieve sporen van zijn poging om in zijn levensonderhoud te voorzien. M. Aronson Gemeente Amsterdam
Samenvatting
Het document is een formeel verzoekschrift aan de gemeente Amsterdam voor het verkrijgen van een vaste standplaats op de openbare weg. De aanvrager, Mozes Aronson, is een 45-jarige man die op dat moment reeds een 'ventvergunning' (om rond te trekken met handelswaar) bezit, maar een vaste plek ambieert in de Tilanusstraat, ter hoogte van nummer 57. Hij verkoopt fruit vanaf een handkar.
Een cruciaal detail in de aanvraag is de werktijdenregeling. In de gedrukte tekst is "behalve des Zaterdags" opgenomen, wat Aronson handmatig heeft bekrachtigd met de kanttekening "Bemerking Zaterdag niet." Dit bevestigt dat de aanvrager zich hield aan de joodse sabbat. Als compensatie voor de zaterdag vraagt hij toestemming om op zondag te werken vanaf 10:00 uur.
Historische Context
Dit document is opgesteld in januari 1941, acht maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de druk op de joodse bevolking in Amsterdam snel toe. Slechts een maand na deze aanvraag zou de situatie in de stad escaleren tijdens de Februaristaking van 1941.
Voor joodse kleine zelfstandigen en straathandelaren werd het uitoefenen van hun beroep steeds moeizamer door de invoering van discriminerende verordeningen. Uiteindelijk zouden joodse handelaren volledig uit de reguliere markthandel worden verbannen en werden zij gedwongen op speciaal aangewezen 'joodse markten' te staan, voordat zij definitief van hun bestaansmiddelen werden beroofd. Uit historische bronnen (zoals het Joods Monument) blijkt dat Mozes Aronson de Holocaust niet heeft overleefd; hij werd in augustus 1942 vermoord in Auschwitz. Dit formulier is een van de laatste administratieve sporen van zijn poging om in zijn levensonderhoud te voorzien.