Ambtelijke correspondentie (brief/memorandum) van een gemeentelijke dienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen.
Origineel
Ambtelijke correspondentie (brief/memorandum) van een gemeentelijke dienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen. 28 augustus 1941. [Rechtsboven, handgeschreven:]
ter th de Kamer [?]
VD/HG.
[Linksboven, handgeschreven in potlood:]
Verzonden 29/8-'41 4
[Adressering:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Kenmerk en datum:]
18/4/24 M. diverse 28 Augustus 1941.
[Onderwerp:]
Aanvraag standplaatsvergunning
ten name van J. Franschman.
[Inhoud:]
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 2 dezer om nader
advies ontvangen stukken No. 5/84 L.M. 1941 heb ik de eer U te ver-
wijzen naar het besluit van den Regeeringscommissaris voor Amsterdam
d.d. 1 Augustus jl. No. 472 L.M. 1941, waarin is bepaald, dat geen
nieuwe standplaatsvergunningen aan niet-Ariers zullen worden uitge-
reikt. Aangezien adressant geen Arier is, kan derhalve aan zijn ver-
zoek niet worden voldaan.
[Ondertekening:]
De Directeur,
[Linksonder, handgeschreven in blauwe inkt:]
Gepasseerd [onduidelijk]
Map 1 uc. o.v/o. [onduidelijk] Dit document is een aangrijpend voorbeeld van de bureaucratische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting van Nederland.
- De kern: Een aanvraag voor een standplaatsvergunning (waarschijnlijk voor een marktkraam of handel op straat) wordt direct afgewezen op basis van ras.
- De motivatie: De afwijzing stoelt op het feit dat de aanvrager, J. Franschman, een "niet-Arier" is. Dit was de officiële nationaalsocialistische term om Joden aan te duiden en hen wettelijk te discrimineren.
- Juridische grondslag: De brief verwijst naar een specifiek besluit (No. 472 L.M. 1941) van de "Regeeringscommissaris voor Amsterdam". Dit was de titel van de burgemeester tijdens de bezetting, op dat moment de pro-Duitse Edward Voûte. Dit besluit markeert het moment waarop Joden formeel werden uitgesloten van het verkrijgen van nieuwe economische vergunningen in de stad.
-
Stijl: De toon is strikt formeel en procesmatig ("heb ik de eer U te verwijzen"). De tekst toont hoe de uitsluiting van een bevolkingsgroep naadloos werd geïntegreerd in de dagelijkse ambtelijke routine. In de zomer van 1941 was de "Arisering" van de Nederlandse economie in volle gang. Het doel van de bezetter was om Joden volledig te isoleren en hun hun middelen van bestaan te ontnemen.
-
Economische uitsluiting: Het weigeren van standplaatsvergunningen was een van de vele administratieve stappen die werden gezet voordat de fysieke deportaties begonnen. Door Joden hun werk onmogelijk te maken, werden ze financieel en sociaal gemarginaliseerd.
- J. Franschman: Hoewel de brief slechts over een dossiernummer en een naam spreekt, vertegenwoordigt J. Franschman (een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam) een individu wiens leven door dit korte briefje ingrijpend werd veranderd.
- Administratieve collaboratie: Het document illustreert hoe de Nederlandse gemeentelijke bureaucratie fungeerde als een instrument voor het uitvoeren van anti-Joodse maatregelen, waarbij ambtenaren de verordeningen van de bezetter en diens stroman (de regeringscommissaris) zonder zichtbaar protest uitvoerden. J. Franschman Marktwezen