← Terug
Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 48
Dossier 17
Jaar 1941

Getypte ambtelijke brief met handgeschreven kanttekeningen.

31 december 1941 (verzonden op 2 januari 1942). Van: De Directeur (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst in Amsterdam).

Samenvatting

Dit document is een treffend voorbeeld van de bureaucratische afhandeling van de uitsluiting van Joodse burgers tijdens de Duitse bezetting van Nederland. 1. **Gedwongen liquidatie:** Mevrouw Polak Hakker, eigenaresse van winkels in de P.C. Hooftstraat en Beethovenstraat (prominente locaties in Amsterdam), heeft mondeling te horen gekregen dat haar zaak moet "liquideren". Dit was onderdeel van de bredere verordeningen (zoals Verordening 189/1940 en 48/1941) om Joodse bedrijven te onteigenen of te sluiten ("Arisering"). 2. **Bureaucratische taal:** De tekst is gesteld in een uiterst beleefde, ambtelijke stijl ("Hiermede heb ik de eer U te berichten", "Ik verzoek U beleefd"). Dit contrasteert scherp met de schrijnende realiteit van een burger die haar broodwinning verliest. 3. **Onzekerheid en overleving:** Mevrouw Polak Hakker probeert binnen de nauwe grenzen van de steeds strenger wordende wetgeving een manier te vinden om te overleven. Ze vraagt om een ventvergunning (straatverkoop) of een plek op een Joodse markt. 4. **Duitse instantie:** De brief eindigt met het verzoek om de vraag voor te leggen aan de "betreffende Duitsche instantie" (waarschijnlijk de *Wirtschaftsprüfstelle*), wat aangeeft dat het lokale bestuur op dit punt geen eigen beslissingsbevoegdheid meer had, maar enkel fungeerde als doorgeefluik voor de bezetter.

Historische Context

Eind 1941 was de isolatie van de Joodse bevolking in Nederland in een vergevorderd stadium. De economische "ontjoodsing" was in volle gang. In Amsterdam werden in 1941 specifieke Joodse markten ingesteld (zoals op het Waterlooplein en de Gaaspstraat) omdat Joden niet meer op reguliere markten mochten staan of in reguliere winkels mochten kopen. De genoemde locaties (Beethovenstraat en P.C. Hooftstraat) waren en zijn chique winkelstraten. Dat Mevrouw Polak Hakker daar winkels had, getuigt van een gevestigde positie die door de bezettingsmaatregelen in één klap werd vernietigd. De brief laat zien hoe de Nederlandse ambtenarij meewerkte aan de uitvoering van deze discriminerende maatregelen door ze administratief te verwerken en door te sturen naar de Duitse machthebbers.

Genoemde Personen

N. Hakker P.C. Hooftstraat Polak Hakker (Mevrouw) U. Sieburgh

Thema's

Dwang/Vordering Jodenster/Maatregelen

Transcriptie

*Handgeschreven (bovenaan):* U. Sieburgh [?] *Handgeschreven (midden):* Verzonden 2/1 VD/HG. den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, **A l h i e r .** 18/15/19 M. 31 December 1941. Vragen van Joodschen winkelier. Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat Mevr. Polak Hakker winkelhoudster van de fa. N. Hakker, P.C. Hooftstraat 67 en Beethovenstraat 58 mij tijdens een bezoek te mijnen kantore heeft medegedeeld dat voornoemde firma mondeling is aangezegd, dat ze moet liquideeren. De firma mag thans niet meer inkoopen, doch uitsluitend haar voorraden uitverkoopen. Mevr. Polak stelt thans de vraag of zij in het bezit van een ventvergunning kan worden gesteld en zoo neen of zij dan een plaats mag innemen op een Joodsche markt. Zij vraagt voorts of de mogelijkheid bestaat om haar vaste klanten aan huis te bedienen (dat wil dus zeggen: niet vanaf den winkel, want deze wordt gesloten). In het algemeen komen haar vragen dus hierop neer, of het geoorloofd is, dat een Jood, wiens winkelzaak is geliquideerd, in anderen vorm, bijvoorbeeld als marktkoopman of als bediener van vaste klanten aan huis, als verkooper mag optreden. Ik verzoek U beleefd te willen bevorderen, dat deze vraag ter beoordeeling wordt voorgelegd aan de betreffende Duitsche instantie. De Directeur,