Ambtelijk advies / Interne notitie.
Origineel
Ambtelijk advies / Interne notitie. 20 juli 1939 (gebaseerd op het referentienummer "20/7/1 M 39"). I.
Advies op No 20/7/1 M 39.
Den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
In verband met op bijgaande apostille gestelde
vragen bericht ik U het volgende:
a. Voorzoover mij bekend gelden momenteel vier
bakvergunningen voor visch op de Albert Cuyp-
straatmarkt, nl. ten name van J. Andriessen,
A. de Vos, N. de Graaff en H. F. Ostendorf.
b. J. Andriessen maakt van de vischbakvergunning
dagelijks gebruik.
c. Voorzoover mij bekend geldt één bakvergunning,
nl. voor wafelen, op genoemde markt ten name van
J. F. Stokman.
d. Deze koopman maakt alleen Zaterdags gebruik
van de vergunning om te bakken.
e. Gezien de lange ^durige afwezigheid van de onder a ge-
noemde drie laatste vergunninghouders is de
kans niet groot, dat zij in het komende seizoen
op deze markt visch zullen bakken.
Ten opzichte van het verzoek van A. Polak,
fol. 221/AC. diene het volgende te worden
opgemerkt:
In den regel veroorzaakt het bakken van diverse
waren een min of meer onaangename geur. Dit document is een ambtelijk advies binnen de administratie van het Amsterdamse Marktwezen. De inspecteur wordt geïnformeerd over de actuele stand van zaken wat betreft 'bakvergunningen' op de Albert Cuypmarkt.
Uit de inhoud kunnen we het volgende afleiden:
* Huidige situatie: Er zijn vier vergunningen voor het bakken van vis, maar slechts één handelaar (Andriessen) gebruikt deze dagelijks. De overige drie (De Vos, De Graaff en Ostendorf) zijn al geruime tijd afwezig.
* Wafelbakken: Er is één wafelbakker (Stokman), die alleen op zaterdagen bakt.
* Casus Polak: Het advies is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van ene A. Polak (waarschijnlijk een aanvraag voor een nieuwe bakvergunning).
* Beleidsmatige overweging: De schrijver eindigt met een opmerking over "onaangename geur". Dit duidt erop dat het verlenen van extra bakvergunningen kritisch werd bekeken vanwege mogelijke stankoverlast voor de omgeving en andere marktkooplieden. Het document dateert van juli 1939, slechts tien maanden voor de Duitse inval in Nederland. De locatie is de Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp, destijds (en nu nog) de belangrijkste dagmarkt van de stad.
De naam van de aanvrager, A. Polak, is een zeer veelvoorkomende Joodse achternaam in het Amsterdam van die tijd. Gezien de locatie (de Pijp was een buurt met veel Joodse inwoners en ondernemers) en de datum, is dit document een stille getuige van de normale bureaucratie rondom Joodse marktkooplieden vlak voordat de bezetting hun leven en werk onmogelijk zou maken.
De tekst geeft tevens een mooi tijdsbeeld van de marktregulering in de jaren '30: vergunningen waren schaars, strikt gebonden aan specifieke producten (vis versus wafels), en er werd scherp gelet op overlast (geur) en de feitelijke aanwezigheid van de vergunninghouders.