Ambtelijk schrijven / intern memorandum.
Origineel
Ambtelijk schrijven / intern memorandum. 10 juli 1941. Onleesbare handtekening (waarschijnlijk een beheerder van de Albert Cuypmarkt). [Links boven]
Onderwerp
Inlevering verlichtings-
materiaal markten
Albert Cuypstraat
[Rechts boven]
Den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier.
[Centraal boven in rood potlood]
25/90/117
[Body]
De navolgende vaste plaatshouders
zijn langer dan vier maanden vrijgesteld.
alk 59 P. Abr. Spanjar, St. Antoniesbreestraat 66^II
" 65 G Waagenaar, Alb. Cuypstraat 191^I
" 70 G. Kerigen, Rapenburg 76^I
" 141 G.F. Meurschaert, Quellijnstraat 128^hs
" 213 A Barmhartigheid, Hemelstraat 70^III
" 225 C. Pluk, Tugelaweg 83^II
" 243 G. Ernel, 1^e v.d. Helststraat 13^I
" 50 H Schaap, Ger. Doustraat 182^II
" 54 A Waterman, Rapenburgerstraat 41^I
" 116 G de Waal, 1^e Jan Steenstraat 81^III
" 126 B.H. Muller, St Annenstraat 27^I
" 261 G Croven, 1^e Sweelinckstraat 26^I
" 201 J B Pol
Om zoekraken van het verlichtings-
materiaal te voorkomen, — verscheidenen
zullen toch nimmer meer hun plaats
komen innemen —, komt het mij ge-
wenscht voor het hun in gebruik gegeven
verlichtingsmateriaal te laten inleveren
in het Marktkantoor, alhier.
Mocht U het met mijn zienswijze eens
zijn, dan verzoek ik genoemden koop-
lieden een schrijven te doen zenden, waarin
op inlevering wordt aangedrongen.
[Links onder, in marge]
acc.
aanwijzing
23-7-41
de Haan
[Rechts onder]
Amst. 10 Juli 41.
[Handtekening] De brief is een formeel verzoek van een marktbeambte aan de Inspecteur van het Marktwezen. Er wordt een lijst gepresenteerd van veertien kooplieden van de Albert Cuypmarkt die al meer dan vier maanden hun staanplaats niet hebben bezet. De schrijver merkt op dat velen van hen waarschijnlijk nooit meer zullen terugkeren. De bureaucratische insteek van de brief is het veiligstellen van gemeentelijk eigendom: het uitgeleende verlichtingsmateriaal. Er wordt geadviseerd om deze mensen aan te schrijven en hen te dwingen het materiaal in te leveren bij het marktkantoor. De kanttekening linksonder toont aan dat dit voorstel op 23 juli 1941 is geaccordeerd door een ambtenaar genaamd De Haan. Dit document is geschreven tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De datum (juli 1941) en de inhoud zijn zeer significant: in deze periode werden Joodse kooplieden stelselmatig van de Amsterdamse markten verdreven door anti-Joodse verordeningen van de bezetter en het meewerkende stadsbestuur. De namen op de lijst (zoals Spanjar, Waterman, Schaap en Pol) en de adressen in de Joodse buurt (zoals de Rapenburgerstraat en de St. Antoniesbreestraat) bevestigen dat het hier om Joodse Amsterdammers gaat. De kille constatering dat zij "nimmer meer hun plaats komen innemen" weerspiegelt de tragische realiteit van hun uitsluiting en de aanstaande deportaties. Wat in dit document een simpele administratieve handeling lijkt om "zoekraken" van materiaal te voorkomen, maakt feitelijk deel uit van de bredere onteigening en vervolging van de Joodse bevolking tijdens de Holocaust.