Brief (verzoekschrift) gericht aan de Directeur Marktwezen te Amsterdam.
Origineel
Brief (verzoekschrift) gericht aan de Directeur Marktwezen te Amsterdam. Een visboer (ondergetekende, naam niet vermeld op deze zijde). $N^{\underline{o}}~25/161/1$ $M. 1941 \frac{30}{12}$
Den WelEd Heer Direkteur
Marktwezen, te
Amsterdam.
WelEd. Heer. m. Insp.
Door deze is ondergetekende, zoo vrij zich
schriftelijk tot U. te wenden.
Hij stond reeds 38 jaar als vischhandelaar
op den markt aan den Alb: Cuypstr, maar door fam:
omstandigheden heb ik $\pm$ 1½ jaar de markt niet kun-
nen bezoeken, echter nu ik weer als handelaar op
den markt wil staan, beschik ik niet meer over den
vaste standplaats. Momenteel sta ik geheel achter
op den markt, en moet daar dagelijks fl 0.35 en
Zaterdags fl 0.75 marktgeld betalen, dat leverd de
vischhandel momenteel niet op, om aan deze verplichtin-
gen te kunnen voldoen.
Nu wilde ik U. beleefd verzoeken of ik door Uw.
bemiddeling niet weder mijn oude standplaats
kon terug komen, daar mij bekend is, dat er menschen
die nimmer op den markt gestaan hebben en van waar
hun man in 't buitenland werkzaam zijn, tans op
den markt staan, en ik als 38 jarigen handelaar achter
op den markt sta. In deze brief verzoekt een ervaren visboer om de teruggaaf van zijn oorspronkelijke standplaats op de Albert Cuypmarkt. De schrijver voert de volgende argumenten aan:
1. Anciënniteit: Hij heeft reeds 38 jaar ervaring als vishandelaar op deze specifieke markt.
2. Financiële nood: Door zijn huidige ongunstige plek achteraan de markt, wegen de dagelijkse kosten (0,35 gulden doordeweeks en 0,75 gulden op zaterdag) niet op tegen de geringe opbrengsten.
3. Onrechtvaardigheid: Hij klaagt dat zijn oude plek of andere goede plekken nu bezet worden door nieuwkomers. Specifiek noemt hij vrouwen van wie de echtgenoten in het buitenland werken.
De taal is beleefd doch dringend, kenmerkend voor correspondentie met overheidsinstanties in die periode. Opvallend is de vermenging van de derde persoon ("ondergetekende", "Hij stond") met de eerste persoon ("heb ik", "wil ik"), wat vaak voorkomt in dergelijke verzoekschriften van burgers. Het document dateert zeer waarschijnlijk uit de periode van de Duitse bezetting (gezien het jaartal 1941). De opmerking over mensen "van waar hun man in 't buitenland werkzaam zijn" is een directe verwijzing naar de Arbeitseinsatz, waarbij Nederlandse mannen gedwongen (of soms 'vrijwillig' wegens werkloosheid) in Duitsland moesten gaan werken. Dit zorgde voor een verschuiving in de sociale dynamiek op de markten: vrouwen namen de handel over om in het levensonderhoud te voorzien, wat leidde tot wrijving met gevestigde handelaren zoals de schrijver van deze brief, die na een afwezigheid hun oude rechten opeisten in een tijd van schaarste en economische druk. Marktwezen