Archiefdocument
Origineel
20 december 1939. De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen. Den Heer Directeur van den Dienst van het Marktwezen. No. 20/23/6 M. 1939 20/12 [paarse stempel met handgeschreven toevoeging]
GEMEENTE AMSTERDAM
AFD. L.M. [handgeschreven]
No. 552 (1939)
BIJLAGEN [met erboven handgeschreven:] n.v.d.M.
AMSTERDAM, 20 December 1939
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
In antwoord op Uw schrijven van 5 December j.l. No.20/23/5 M., in zake plaatsen voor buitenlanders op de markten hier ter stede, machtig ik U die aangelegenheid in den door U aangegeven zin in de Commissie van Advies voor de Markten aan de orde te stellen.
JB.
De Wethouder voor de Levensmiddelen,
Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,
[handtekening, onleesbaar]
[handgeschreven kanttekening:] zg ter vergadering 8/1.'40.
Aan
den Heer Directeur van den
Dienst van het Marktwezen.
[linksonder:]
Model G. A. 5
25.000-1-'38
[rechtsonder, handgeschreven:] 20/81 Het document is een officiële machtiging van de Amsterdamse Wethouder voor Levensmiddelen aan de Directeur van de Dienst van het Marktwezen. De kern van de brief is de toestemming om de kwestie rondom het verlenen van marktplaatsen aan "buitenlanders" te bespreken in de Commissie van Advies voor de Markten. De brief verwijst naar eerdere correspondentie van 5 december 1939 en bevestigt de procedurele stap om de zaak officieel op de agenda te zetten. Een handgeschreven notitie onderaan de brief ("8/1.'40") suggereert dat de kwestie inderdaad kort na de jaarwisseling in een vergadering is behandeld. De datum van dit document, 20 december 1939, is historisch saillant. Nederland was op dat moment nog neutraal, maar de Tweede Wereldoorlog was in omringende landen al begonnen. De term "buitenlanders" in de Amsterdamse context van eind 1939 verwees in veel gevallen naar vluchtelingen, waaronder een aanzienlijk aantal Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en Oostenrijk die probeerden in hun levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld door handel op de Amsterdamse markten. De gemeente worstelde met de regulering hiervan in een tijd van economische spanning en politieke onzekerheid. Het feit dat dit onderwerp via de Wethouder voor Levensmiddelen en de adviescommissie liep, toont aan dat dit als een gevoelige beleidskwestie werd beschouwd die formele afstemming behoefde.