Ambtelijk schrijven / Brief (mogelijk een doorslag of kopie).
Origineel
Ambtelijk schrijven / Brief (mogelijk een doorslag of kopie). 11 januari 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst of een gerelateerde gemeentelijke afdeling). Aantekening in handschrift rechtsboven: ter. Mr. de Raer.
VP/HG. extra (handschrift)
20/23/7 M.
11 Januari 1940.
Plaatsen voor buitenlanders
op de markten.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat ik, overeenkomstig de machtiging vervat in Uw missive d.d. 20 December jl. (No.552 L.M.1939) het hierboven vermelde onderwerp aan de orde heb gesteld in een op 8 Januari jl. gehouden vergadering van de Commissie van Advies voor de Markten. De Commissie heeft zich eenstemmig vereenigd met het advies vervat in mijn rapport d.d. 5 December jl. (No.20/23/5 M.) om de 33 buitenlanders, wier namen voorkomen op den bij laatstgenoemd rapport overgelegden staat, krachtens een bijzonder besluit van Burgemeester en Wethouders, in afwijking van het bepaalde in artikel 5 lid 1 van het Reglement op de Markten, de gelegenheid te geven zich als sollicitant voor vaste plaatsen op de markten hier ter stede te laten inschrijven. De Commissie adviseert de bedoelde bepaling van artikel 5 van het Reglement, voorschrijvende, dat voor inschrijving op de sollicitantenlijst de Nederlandsche nationaliteit wordt vereischt, overigens te handhaven, doch alleen voor de hier bedoelde groep van buitenlanders, die practisch gesproken tot de vaste marktbezetting behooren, een uitzondering te maken.
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen bevorderen, dat door Burgemeester en Wethouders in vorenbedoelden zin wordt besloten.
De Directeur, Dit document betreft een formeel verzoek van de directeur van de betreffende gemeentedienst aan de Wethouder voor de Levensmiddelen om een uitzondering te maken op het marktreglement.
De kern van de zaak is dat het toenmalige 'Reglement op de Markten' (artikel 5, lid 1) de eis stelde dat marktkoplui de Nederlandse nationaliteit moesten bezitten om in aanmerking te komen voor een vaste standplaats. Er is hier sprake van een specifieke groep van 33 buitenlanders die al langere tijd feitelijk op de markt werkten ("practisch gesproken tot de vaste marktbezetting behooren").
De Commissie van Advies voor de Markten steunt het voorstel om voor deze specifieke groep een uitzondering te maken, terwijl de algemene eis van de Nederlandse nationaliteit voor nieuwe aanvragers gehandhaafd blijft. De directeur vraagt de wethouder om dit advies over te nemen en voor te leggen aan het College van Burgemeester en Wethouders voor een definitief besluit. De datum van het document, 11 januari 1940, is historisch zeer relevant. Nederland was op dat moment nog neutraal, maar de dreiging van de Tweede Wereldoorlog was overduidelijk. In deze periode verbleven er veel vluchtelingen (met name Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Centraal-Europa) in grote steden als Amsterdam. Velen van hen probeerden in hun levensonderhoud te voorzien via de straathandel of de markt.
De discussie over de "Nederlandse nationaliteit" als vereiste voor een marktvergunning was in die tijd een middel om de eigen beroepsbevolking te beschermen tegen concurrentie, maar werd ook beïnvloed door de toenemende druk op de rechtspositie van buitenlanders. Dit document toont de ambtelijke weg die bewandeld werd om individuele gevallen te regulariseren die al jarenlang deel uitmaakten van de lokale economie, ondanks de stringente regels. Slechts enkele maanden na deze brief, in mei 1940, zou de Duitse bezetting de situatie voor buitenlanders (en specifiek Joodse markthandelaren) op drastische en tragische wijze veranderen.