Doorslag van een officiële brief.
Origineel
Doorslag van een officiële brief. 18 juni 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). Den Heer Administrateur van den Kooplieden en Marktkramersbond "Mercurius", Amsterdam. Handgeschreven (blauw potlood):
Verzonden 18/6
Handgeschreven (potlood):
In de lener
Getypt:
HG.
den Heer Administrateur van den
Kooplieden en Marktkramersbond
"Mercurius",
Diamantbeurs Kamer 12A,
Weesperplein 4,
Amsterdam-Centrum. Wijk 10.
33/44/2 M. 18 Juni 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 4 dezer bericht ik U, dat
ik Uw lid S.v.Loggem hiermede uitstel verleen voor het bezetten van
zijn plaats op de markt Westerstraat gedurende een maand na dato
dezes.
Het terzake verschuldigde marktgeld dient echter regelmatig
wekelijks bij den dienstdoenden marktambtenaar te worden voldaan.
De Directeur, Deze brief is een formeel besluit van de Amsterdamse marktmeester of directeur van de marktdienst. In de brief wordt gereageerd op een verzoek van de bond "Mercurius" om uitstel van bezettingsplicht voor een van hun leden, S. v. Loggem. De directeur gaat hiermee akkoord: S. v. Loggem hoeft zijn vaste plek op de markt in de Westerstraat gedurende een maand niet in te nemen. Er wordt echter wel één harde voorwaarde gesteld: het marktgeld moet ondanks de afwezigheid wekelijks contant worden afgerekend bij de marktambtenaar ter plaatse. Het document is een typisch voorbeeld van de ambtelijke correspondentie die de dagelijkse gang van zaken op de Amsterdamse markten regelde. De datum van de brief, 18 juni 1941, plaatst dit document in een beladen historische context: het tweede jaar van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode namen de anti-Joodse maatregelen in Amsterdam snel toe. De genoemde locatie van de bond "Mercurius", de Diamantbeurs aan het Weesperplein, was een centrum van de diamantindustrie, een sector waarin zeer veel Joodse Amsterdammers werkzaam waren. Ook de naam "S. v. Loggem" (waarschijnlijk Simon van Loggem) wijst in de richting van een Joodse marktkoopman.
Gedurende 1941 werden Joodse handelaren steeds meer beperkt in hun vrijheden. In de maanden na deze brief (vanaf september 1941) mochten Joden in Amsterdam alleen nog op speciaal aangewezen "Joodse markten" staan en werden zij geweerd van reguliere markten zoals die in de Westerstraat. Het gevraagde uitstel zou mogelijk verband kunnen houden met deze toenemende beperkingen, persoonlijke omstandigheden of de onmogelijkheid om de handel voort te zetten onder het bezettingsregime. Het strikte vasthouden aan de betaling van het marktgeld toont de onverbiddelijke bureaucratie van die tijd.