Archiefdocument
Origineel
20 Januari 1941. Dienst der Publieke Werken Amsterdam. [Stempel/Aantekening in paars/potlood]: No 37 / 6 // M. 1941 22/1
DIENST DER
PUBLIEKE WERKEN
AMSTERDAM
AMSTERDAM, 20 Januari 1941.
No. 481 / Doss 22083 H.
ONDERWERP:
Aan den Heer
Directeur van het Marktwezen
Jan van Galenstraat 14
Amsterdam (W.)
[Handgeschreven aantekening in blauwe inkt, doorgehaald]: mij bir.
Van de zijde van den Rijkswaterstaat heeft mij de vraag bereikt, welke Amsterdamsche belangen zich zouden verzetten tegen het gedurende eenige maanden per jaar - telkens gedurende tweemaal vier uur per etmaal - verlagen van het peil van het Noordzeekanaal tot 0.55 m - N.A.P. Door een dergelijke verlaging zal nl. een doorstrooming van den Schermerboezem met IJsselmeerwater kunnen worden tot stand gebracht, hetgeen de kwaliteit van het water van dezen boezem ten goede zal komen.
Voorts heeft de Provinciale Waterstaat van Noordholland geïnformeerd naar de bezwaren tegen een verlaging van het Noordzeekanaal tot 0.60 m - N.A.P. Een dergelijke verlaging, die van langeren duur zal zijn dan de hoogerbedoelde, zal een vermindering van de opvoerhoogten van de op dit kanaal uitslaande gemalen - meer speciaal van dat van Rijnland te Spaarndam - ten gevolge hebben, waardoor een besparing zal worden verkregen op het verbruik van electrischen stroom, kolen en motorbrandstof door deze gemalen. Een voordeel, dat in de tegenwoordige omstandigheden uiteraard van veel belang is.
Ten einde bovenbedoelde vragen zoo volledig mogelijk te kunnen beantwoorden, zal ik gaarne van U vernemen, of en zoo ja, welke van de door Uw Dienst verzorgde belangen zich tegen bovengenoemde voorstellen verzetten. Er moet nl. op worden gerekend, dat het stadswater ook tijdens de voorgestelde peilsverlagingen in open verbinding met het Noordzeekanaal zal blijven staan. Tijdens deze verlagingen zullen dus bij de losgelegenheden de hoogten van de kaden boven den waterspiegel grooter zijn dan normaal.
MH.
De Directeur P.W.,
acc. m/d door den Dir. get. min.,
de Secretaris,
[Handgeschreven handtekening: An Muyr] 37/22/1 In deze brief vraagt de Dienst der Publieke Werken Amsterdam aan de Directeur van het Marktwezen of er bezwaren zijn tegen het tijdelijk verlagen van het waterpeil in het Noordzeekanaal. Er worden twee scenario's voorgesteld:
1. Peilverlaging naar 0.55 m - N.A.P. (kortstondig): Bedoeld om de Schermerboezem door te spoelen met vers IJsselmeerwater ter verbetering van de waterkwaliteit.
2. Peilverlaging naar 0.60 m - N.A.P. (langduriger): Bedoeld om de gemalen (zoals die in Spaarndam) efficiënter te laten werken. Omdat het water minder hoog opgepompt hoeft te worden, bespaart dit aanzienlijk op brandstof en elektriciteit.
De ontvanger wordt gewaarschuwd dat door de lagere waterstand de kaden relatief hoger komen te liggen, wat invloed kan hebben op de overslag van goederen (losgelegenheden). De brief is gedateerd op 20 januari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De verwijzing in de tekst naar het belang van energiebesparing ("besparing... op het verbruik van electrischen stroom, kolen en motorbrandstof") is direct te herleiden naar de schaarste aan grondstoffen tijdens de oorlogsjaren. Brandstoffen waren schaars en gerantsoeneerd, waardoor de overheid zocht naar elke mogelijke manier om het verbruik te beperken.
Daarnaast toont het document de complexe samenwerking in het Nederlandse waterbeheer, waarbij de belangen van de Rijkswaterstaat (nationaal), de Provinciale Waterstaat (regionaal) en de gemeentelijke diensten (lokaal) tegen elkaar afgewogen moeten worden, zeker in een stad als Amsterdam waar de grachten direct verbonden zijn met de grotere boezems en kanalen.