Notulen/Verslag van een vergadering.
Origineel
Notulen/Verslag van een vergadering. 19 november 1941. N o t i t i e s van een vergadering op 19 November 1941 te 3 uur n.m. van den Directeur van het Marktwezen, den heer C.F. Sixma, den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening, den heer Smeets, den Gemeentelijken Adviseur voor voedings- en distributieaangelegenheden, den heer F. van Meurs, den Adjunct-directeur van het Marktwezen, den heer Sieburgh, den bedrijfschef van de Centrale Markt, den heer J. Broerse, met vertegenwoordigers van den groothandel in groenten, de heeren Draaisma, Kramer, Bood en Dijkstra.
O n d e r w e r p : winteropslag 1941/1942 van stapelproducten.
De Directeur zegt, dat hij van den handel heeft ontvangen een opstelling, houdende de kosten voor den opslag van 25 wagons rapen, 10 wagons uien en 15 wagons wortelen. Spreker wijst er echter op, dat was afgesproken, dat zou worden opgeslagen van elk der genoemde producten 25 wagons.
De heer Dijkstra zegt, dat hieromtrent derhalve blijkbaar een misverstand is ontstaan. De handel had gedacht, dezelfde voorraden aan te leggen als verleden jaar was gebeurd. De handel had gedacht, dat de boven het aantal van verleden jaar aangevraagde wagons zouden worden bestemd voor de regelmatige rouleering, dus voor den dagelijkschen handel. Een en ander was noodig, omdat de handel zelf thans niet over voorraden beschikt, hetgeen verleden jaar wel het geval was. Spreker is van meening, dat een reserveering van 50 wagons stapelproducten voor 14 dagen, om te worden gebruikt bij een eventueele stagnatie van den aanvoer door vorst, voldoende is; dit is verleden jaar ook wel gebleken, toen lang niet de geheele voorraad is aangesproken.
De heer Van Meurs wijst erop, dat met den heer Valstar is afgesproken, dat 25 wagons van elk der producten zou worden opgeslagen.
De Directeur wijst erop, dat de heer Dijkstra namens den groothandel een nieuw plan heeft ingediend om te komen tot een gecentraliseerden verkoop van stapelproducten gedurende den geheelen winter, om hierdoor te voorkomen, dat prijsopdrijving plaatsvindt en om te bereiken, dat een juiste verdeeling van de aanwezige voorraden wordt toegepast. Bij dit plan wordt dus de aanvulling van het aantal wagons ten behoeve van de dagelijksche behoefte reeds ingeschakeld.
De heer Dijkstra vult hierbij aan, dat de heer Valstar heeft toegezegd, dat van regeeringswege voor een regelmatigen aanvoer voor de Amsterdamsche bevolking zou worden zorggedragen.
De heer Smeets wijst erop, dat het de bedoeling is om voor 14 dagen opslag te maken. Wanneer men nu weet, dat er verleden jaar 700 wagons stapelproducten in Amsterdam zijn geconsumeerd, dan is dit voor een periode van 14 dagen een hoeveelheid van 75 wagons.
De heer Van Meurs zegt nog, dat het Gemeentebestuur van meening was, dat een reserve voor 14 dagen aan den lagen kant was. Spreker heeft hierbij echter opgemerkt, dat er naast deze reserve ook nog een gewone aanvoer der betreffende producten plaatsvindt. Het Gemeentebestuur is echter van meening, dat een reserveering van 75 wagons wel als een minimum moet worden beschouwd.
De heer Kramer wijst erop, dat de opslag van verleden jaar vrijwel in het geheel niet noodig is geweest, hoewel er toch een strenge winter is geweest. Spreker moet echter toegeven, dat de omstandigheden dit jaar geheel anders liggen.
De vertegenwoordigers van den handel hebben geen enkel bezwaar om in plaats van 50 wagons, 75 wagons te reserveeren. Men wijst er echter met nadruk op, dat speciale aandacht moet worden besteed aan het tijdig opruimen der gevormde reserve, omdat anders het gevaar bestaat, dat bederf optreedt.
De heer Draaisma zegt, dat de hoeveelheid stapelproducten, welke voor den winteropslag moet worden gereserveerd, ten nauwste verband houdt met den regelmatigen aanvoer van de producten voor dagelijksch gebruik. Indien in het laatste geval niet voldoende producten zouden worden aangevoerd, zou het natuurlijk veiliger zijn om met een zoo groot mogelijke reserve aan te leggen.
De handel is na ampelijke discussie van meening, dat het in de gegeven omstandigheden zeker veilig is om van elk der genoemde producten 25 wagons te reserveeren, vooral ook omdat hierdoor het Gemeentebestuur wellicht volledig is gerustgesteld. Het document verslaat een technisch-logistiek overleg over de voedselvoorziening in oorlogstijd. De kern van het conflict is de frictie tussen de praktische bezwaren van de groothandel (angst voor bederf van voorraden en economisch risico) en de behoefte aan zekerheid van de overheid (voorkomen van hongersnood bij vorst).
Opvallende punten:
* Kwantiteit: Er wordt gediscussieerd over de verhoging van de reserve van 50 naar 75 wagons (25 wagons elk voor rapen, uien en wortelen).
* Risicobeheersing: De handel vreesde vorig jaar voor overschotten, maar erkent dat de "omstandigheden" (de oorlogssituatie en schaarste) in 1941 nijpender zijn dan in 1940.
* Centralisatie: Er wordt gesproken over een plan voor "gecentraliseerden verkoop" om prijsopdrijving tegen te gaan, wat typerend is voor de distributie-economie tijdens de bezetting.
* Bederf: Een groot punt van zorg voor de groothandelaars is de kwaliteit van de producten; zij willen de garantie dat reserves tijdig worden "opgeruimd" (verkocht) voordat ze rotten. Dit document stamt uit november 1941, de tweede winter van de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening werd in deze periode steeds strakker gereguleerd door de overheid via het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd.
De genoemde "heer Valstar" is vrijwel zeker Jacob Valstar, die destijds een prominente rol speelde in de rijksregeling voor groenten en fruit. De verwijzing naar de "strenge winter" van het voorgaande jaar (1940-1941) is historisch accuraat; die winter was zeer koud, wat transport via waterwegen blokkeerde en de aanvoer van groenten in gevaar bracht. Het veiligstellen van "stapelproducten" (houdbare basisgroenten zoals wortelen en rapen) was voor de gemeente Amsterdam cruciaal om sociale onrust en honger onder de bevolking te voorkomen. C.F. Sixma (Directeur Marktwezen) Smeets (Directeur Levensmiddelenvoorziening) F. van Meurs (Gemeentelijk adviseur) Sieburgh (Adjunct-directeur Marktwezen) J. Broerse (Bedrijfschef Centrale Markt) en de heren Draaisma Kramer Bood en Dijkstra (vertegenwoordigers groothandel).