Archiefdocument
Origineel
17 juli 1941. Controleur Klaassens. [Linksboven]
Nº 37/78/1 M.1941 20/8
[Rechtsboven]
Den Heer Bedrijfchef
Centrale-Markt
Alhier
[Tekst]
Mr.
Donderdagmorgen 17. Juli ongeveer
9 uur, deelde de knecht van Keizer
mij mede, dat een jongen een leege kist
had weggehaald.
Ik heb die jongen gehoord, en deze
verklaarde mij, dat hij de kist genomen
had om op te zitten, hij ontkende
de kist te hebben weggehaald.
Toen ik hem naar zijn kaart vroeg,
deelde hij mij mede, dat die bij zijn
vader in de kar lag.
Hij gaf mij op te zijn genaamd:
G. van Rijn geb. 20 Mei 1925
wonende Borgerstraat 160. III
in dienst bij zijn vader P. v. Rijn
(meier)
Bij inzage kaarten kantoor, bleek
opgave juist te zijn.
Aangezien ik het geval niet geconstateerd
heb, kon ik niet verbaliseerend optreden.
[Rechtsonder]
Contr.
Klaassens
[Linksonder]
A’dam 17. Juli 1941.
[Handtekening/Paraaf]
[Diverse aantekeningen in rood potlood, o.a. "ges/Juli", "ay", "huyy"] Dit document is een ambtelijk verslag van een incident op de Centrale Markt in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De kern van het verslag is een onderzoek naar de diefstal van een "leege kist".
- De klacht: Een knecht van een zekere "Keizer" rapporteert dat een jongen een kist heeft meegenomen.
- Het verhoor: Controleur Klaassens ondervraagt de jongen (de 16-jarige G. van Rijn). De jongen geeft een plausibele verklaring: hij heeft de kist alleen gebruikt om op te zitten en ontkent de diefstal.
- Identificatie: Omdat de jongen zijn persoonsbewijs of distributiekaart niet bij zich heeft (deze ligt bij zijn vader in de kar), controleert Klaassens de gegevens bij het "kaarten kantoor" (het distributiekantoor). De gegevens blijken te kloppen.
- Conclusie: Omdat de controleur de diefstal niet zelf op heterdaad heeft geconstateerd, besluit hij geen proces-verbaal op te maken ("niet verbaliseerend optreden"). Het document dateert van juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode nam de schaarste aan goederen toe, waardoor zelfs objecten als lege kisten waarde kregen of onder streng toezicht stonden.
De Centrale Markt in Amsterdam was het logistieke hart van de voedselvoorziening in de stad. Toezicht was hier streng, mede vanwege de distributieregelingen en de zwarte handel. De verwijzing naar het "kaarten kantoor" is typerend voor de oorlogsjaren, waarin de burgeradministratie en het distributiesysteem nauw met elkaar verbonden waren voor identificatie en controle.
De toon van het rapport is strikt zakelijk en procedureel. Het laat zien hoe kleinschalige incidenten nauwgezet werden gerapporteerd door marktpersoneel, maar ook dat er een zekere mate van juridische zorgvuldigheid werd betracht (geen proces-verbaal zonder eigen waarneming). G. van Rijn Klaassens (Controleur) Klaassens ondervraagt (Controleur)