Getypte ambtelijke brief met handgeschreven annotaties.
Origineel
Getypte ambtelijke brief met handgeschreven annotaties. 25 juli 1939. De Directeur (handgeschreven naam rechtsboven: "M. de Waal"). De Directeur der Publieke Werken, Raadhuis, Amsterdam ("Alhier"). [Linksboven, getypt:]
21/27/1 M
[Rechtsboven, handgeschreven:]
M. de Waal
[Rechtsboven, getypt:]
G.
[Midden boven, handgeschreven:]
verzonden 25/7
[Rechts, getypt:]
25 Juli 1939
[Geadresseerde, rechts getypt:]
den Heer Directeur der
Publieke Werken,
Raadhuis,
A l h i e r.
[Inhoud, getypt:]
Hiermede heb ik de eer U beleefd te verzoeken op
de brandstoffenmarkt aan de Nieuwe Achtergracht, vóór de
perceelen no's 174 en 176, een tweetal meerpotten te doen
plaatsen.
[Onderaan rechts, getypt:]
De Directeur, Dit document is een formeel dienstschrijven binnen de gemeentelijke administratie van Amsterdam. De afzender verzoekt om een kleine infrastructurele aanpassing: de plaatsing van twee "meerpotten" (gegoten ijzeren of betonnen potten in de kade waarin een meerpaal of ring bevestigd is) aan de Nieuwe Achtergracht.
Opvallende details:
* Locatie: Het verzoek betreft de "brandstoffenmarkt". Dit was de plek waar schepen met kolen en turf aanmeerden om de stad van brandstof te voorzien.
* Formulering: De stijl is kenmerkend voor de vooroorlogse ambtelijke etiquette ("heb ik de eer U beleefd te verzoeken").
* Annotaties: De handgeschreven notitie "verzonden 25/7" bevestigt de afhandeling op de dag van datering. De naam "M. de Waal" duidt waarschijnlijk op de specifieke ambtenaar of directeur die verantwoordelijk was voor het opstellen van het verzoek. De brief dateert van juli 1939, slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was de logistiek via de Amsterdamse grachten nog van vitaal belang voor de energievoorziening van de stad. De brandstoffenmarkt aan de Nieuwe Achtergracht (gelegen in de Plantagebuurt) was een druk knooppunt voor de handel in kolen, die per binnenschip werden aangevoerd.
Het feit dat de brief gericht is aan de "Directeur der Publieke Werken" in het "Raadhuis" (destijds het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal) onderstreept de gecentraliseerde structuur van het toenmalige stadsbeheer, waarbij zelfs kleine ingrepen in de openbare ruimte via formele weg tussen directies werden gecommuniceerd.