Archief 745
Inventaris 745-360
Pagina 336
Dossier 92
Jaar 1941
Stadsarchief

Verslag/Notulen (Pagina 5).

Origineel

Verslag/Notulen (Pagina 5). 5.

aal de voeding van Amsterdam voorgelegen heeft. Zij willen een Amsterdamsche groep, die de verschillende gemeentelijke diensten, zooals den Keuringsdienst, het Abattoir, het Marktwezen, helpen. Men zou het een soort toezichtslaboratorium kunnen noemen, dat contact onderhoudt met alle andere instituten.

Spr. en dhr. Sixma hebben een andere doelstelling dan een zuiver wetenschapsinstituut. Zij achten dan ook niet een bepaald onderzoek noodig, maar willen gaarne mogelijk van dag tot dag op de hoogte blijven. Zij willen dus gebruik maken van andere instituten en begrijpen dat daar soms geldmiddelen tegenover gesteld moeten worden.

De heer Mooij zegt, dat Rotterdam, Den Haag en andere steden er dezelfde redeneering op na kunnen houden. Spr. adviseert dan ook één centrum voor het geheele land. Daar is door elke stad aan mee te werken, door geldmiddelen beschikbaar te stellen, waardoor mede invloed uitgeoefend kan worden, opdat de onderzoekingen in gevoelde behoeften voorzien.

Prof. Sprenger vraagt, wat dhr. Straub precies wil. Spr. heeft den indruk gekregen, dat de problemen in Amsterdam voor elke stad gelden en dat de verwachte diensten overeen komen met het werk van een Bedrijfslaboratorium voor contrôle.

De voorzitter zegt, dat men ook in Amerika eenvoudige laboratoria heeft, waar men bij de inspectie gebruik van kan maken.
Voorts wijst spr. op het huidige houtgebrek aan de veilingen. Iedere veiling experimenteert nu zoo'n beetje, om daarin te voorzien. Beter zou het zijn, als dat onderzoek centraal zou gebeuren, waarna de verschillende veilingen over het resultaat ingelicht zouden kunnen worden.
Eigenlijk hangen onderzoek, voorlichting en onderwijs zoo nauw samen, dat deze moeilijk te scheiden zijn.

De heer Sixma wil meer instituten met speciaal onderzoek, maar vooral ook meer contact van en samenwerking tusschen practijk en onderzoekingsinstituut.

Prof. Sprenger zegt, dat er goed contact is tusschen de practijk en zijn instituut. Er komt nog een groot instituut bij, waar zoowel fijn- als handelsonderzoek kan gebeuren.
Overigens kunnen in verschillende koelhuizen onder leiding van den specialen tuinbouwconsulent voor koeltechniek kleine onderzoekingen geschieden. Hierdoor blijft een goed contact tusschen wetenschap en practijk gewaarborgd.
Naast het instituut in wording moeten ook de betreffende personen nog meer ervaring opdoen, maar dat komt allemaal.

De heer Mooij zegt, dat er eigenlijk nog een goed contact noodig is tusschen de onderzoekingsinstituten en de uitvoerende diensten.
Daarom is de hoofdzaak coördineeren van onderzoeken en de practijkvragen op de juiste plaats tot oplossing brengen. Er zou een instantie kunnen zijn, waar men naar toe zou kunnen schrijven en vanwaar de betreffende vraag eenvoudig naar de juiste plaats doorgezonden zou kunnen worden.

De voorzitter zegt, dat na al deze besprekingen conclusies getrokken moeten worden. Deze zijn:
1e. Een nauw contact en samenwerking is gewenscht,
2e. Dit document betreft een verslag van een vergadering over de structuur van toegepast wetenschappelijk onderzoek in Nederland, specifiek gericht op de voedselvoorziening en tuinbouw. De kern van de discussie is de spanning tussen lokale behoeften (zoals die van de gemeente Amsterdam voor een eigen "toezichtslaboratorium") en de wens voor nationale centralisatie van onderzoek om efficiëntie te vergroten en kosten te delen.

Belangrijke punten zijn:
* De behoefte aan een brug tussen de wetenschappelijke instituten en de dagelijkse praktijk (de "uitvoerende diensten").
* De suggestie van dhr. Mooij om één nationaal coördinatiepunt in te richten voor praktijkvragen.
* De observatie dat onderzoek, voorlichting en onderwijs onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
* De vermelding van praktische problemen, zoals het experimenteren met houtvervanging bij veilingen door een tekort aan hout. Hoewel de exacte datum ontbreekt, wijzen de spelling ("Amsterdamsche", "practijk", "contrôle") en de inhoud op de vroege naoorlogse periode (ca. 1945-1950). De verwijzing naar het "huidige houtgebrek" is kenmerkend voor de schaarste tijdens de wederopbouw.

De genoemde Prof. Sprenger is vrijwel zeker Prof. dr. ir. A.M. Sprenger (1881-1958), een autoriteit op het gebied van de tuinbouw in Wageningen en grondlegger van het Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwproducten (IBVT). De discussie over het "instituut in wording" heeft waarschijnlijk betrekking op de uitbreiding van de Wageningse onderzoeksinfrastructuur in die periode. Het document illustreert hoe Nederland in de jaren '40 en '50 de basis legde voor de nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven (het latere "poldermodel" of de "Gouden Driehoek" in de landbouw).

Samenvatting

Dit document betreft een verslag van een vergadering over de structuur van toegepast wetenschappelijk onderzoek in Nederland, specifiek gericht op de voedselvoorziening en tuinbouw. De kern van de discussie is de spanning tussen lokale behoeften (zoals die van de gemeente Amsterdam voor een eigen "toezichtslaboratorium") en de wens voor nationale centralisatie van onderzoek om efficiëntie te vergroten en kosten te delen.

Belangrijke punten zijn:
* De behoefte aan een brug tussen de wetenschappelijke instituten en de dagelijkse praktijk (de "uitvoerende diensten").
* De suggestie van dhr. Mooij om één nationaal coördinatiepunt in te richten voor praktijkvragen.
* De observatie dat onderzoek, voorlichting en onderwijs onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
* De vermelding van praktische problemen, zoals het experimenteren met houtvervanging bij veilingen door een tekort aan hout.

Historische Context

Hoewel de exacte datum ontbreekt, wijzen de spelling ("Amsterdamsche", "practijk", "contrôle") en de inhoud op de vroege naoorlogse periode (ca. 1945-1950). De verwijzing naar het "huidige houtgebrek" is kenmerkend voor de schaarste tijdens de wederopbouw.

De genoemde Prof. Sprenger is vrijwel zeker Prof. dr. ir. A.M. Sprenger (1881-1958), een autoriteit op het gebied van de tuinbouw in Wageningen en grondlegger van het Instituut voor Bewaring en Verwerking van Tuinbouwproducten (IBVT). De discussie over het "instituut in wording" heeft waarschijnlijk betrekking op de uitbreiding van de Wageningse onderzoeksinfrastructuur in die periode. Het document illustreert hoe Nederland in de jaren '40 en '50 de basis legde voor de nauwe samenwerking tussen overheid, wetenschap en bedrijfsleven (het latere "poldermodel" of de "Gouden Driehoek" in de landbouw).

Kooplieden in dit dossier 100

A. Jansen Nieuwmarkt 469.77
A. Jansen 6.13
Andere knol- en wortelgewassen
C. Gottmann 24.73
76 jaar) 110
76 jaar) 236
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
C. Dienst 1.29
De Olmenhorst
F. Barends 2.42
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6