Archiefdocument
Origineel
Onbekend (vermoedelijk eind jaren '30 of begin jaren '40 op basis van de context). 4.
zien en de middelen verdeeld worden.
De heer Dols acht de juiste verdeeling door ir. Veenstra gege-
ven. Overigens heeft de Directeur-Generaal van Voedselvoorzie-
ning ook het standpunt ingenomen om het onderzoek te laten doen,
waar dat het beste kan gebeuren. Overigens voelt deze ook om
het onderzoek te coordineeren, b.v. in T.N.O.. Reeds is hieraan
een groot bedrag gegeven en meteen een aantal vragen, die opge-
lost dienen te worden. Wat gezag betreft, ziet spr. dit ook het
beste, zooals Dr. de Mooij het voorstelt, n.l. in de middelen.
De heer van Eekelen zegt, dat er altijd contact te leggen is, als
het maar gezocht wordt. Zoo was onderzoek van Inlandsche tarwe
noodig. Spr. wendde zich daartoe tot de Maalderij te Wageningen.
Daar was echter geen gelegenheid voor research-werk, om welke
reden een chemicus daartoe aangesteld werd.
Met ir. Veenstra is Dr. van Eekelen voorts overeen gekomen,
dat een chemicus van het Centraal Instituut de aardappelrassen
op vitamine C zal onderzoeken, nadat deze dit onderzoek eerst
bij hem geleerd heeft.
Prof. Sprenger voelt niet veel voor onderzoek op gezag, zooals
Dr. de Mooij dit voorstelt. Men kan veel bereiken, door vrijwil-
lige samenwerking. Wij moeten elkaar eenvoudig kennen en wij moe-
ten van elkaars werk op de hoogte zijn. Vooral als er geld be-
schikbaar is, is er door vrijwillige samenwerking veel te berei-
ken.
Dr. van Eekelen acht samenwerking met fabrieken niet goed moge-
lijk, omdat deze juist geheimhouding willen, om daaruit eigen
voordeel te trekken.
Prof. Sprenger acht ook met fabrieken samenwerking wel mogelijk.
Het is spr. althans wel gelukt. Hierbij werd steeds als onderzoe-
ker een vrije beschikking over de gevonden gegevens geeischt.
Prof. Jansen licht toe, dat in Duitsland de fabrieken aan on-
derzoek in het algemeen bijdragen, terwijl de fabrieken in Zwitser-
land aan sommige laboratoria bijdragen verleenen, maar daaraan
bepaalde voorwaarden verbinden.
De voorzitter zegt, dat ook in Nederland fabrieken zijn, die bij-
dragen aan het onderzoek in het algemeen willen geven. Als voor-
beelden daarvan zijn de Staatsmijnen, de A-S-F en de Kali Mij te
noemen.
Eenigen der aanwezigen hebben echter ervaringen opgedaan.
Toch acht de voorzitter wel mogelijk, dat de geldmiddelen komen,
er zijn voldoende middelen. Het is soms moeilijk om er aan te ko-
men. Als voorbeeld kunnen de veilingen genoemd worden. Juist de-
ze tijd is daarvoor goed.
Wel is een centrale instantie gewenscht, die over de midde-
len beschikt.
De heer de Mooij wil geen vrijwillige, maar een dwingende bijdrage,
zooals in Ned- Indie in verschillende cultures.
Reeds bij de samenstelling van de crisiswetten heeft spr.
daarop aangedrongen.
De heer Straub deelt nog mede, dat bij dhr. Sixma en hem speci-
aal * Kernonderwerp: De discussie handelt over de organisatie, financiering en coördinatie van wetenschappelijk onderzoek in Nederland, in het bijzonder gericht op voedselvoorziening en de rol van de industrie.
* Belangrijkste standpunten:
* Coördinatie: Er wordt gesproken over de rol van T.N.O. en het centraliseren van middelen.
* Samenwerking met industrie: Er bestaat onenigheid over de haalbaarheid van samenwerking met commerciële fabrieken vanwege hun wens tot geheimhouding versus de academische eis van vrije beschikking over gegevens.
* Financiering: De heer de Mooij pleit voor een "dwingende bijdrage" (heffingen), vergelijkbaar met het systeem in Nederlands-Indië, terwijl anderen meer zien in vrijwillige samenwerking.
* Sprekers (afgekort als 'spr.' in de tekst): Onder meer de heren Dols, Van Eekelen, Sprenger, Jansen en de voorzitter. Dit zijn hoogstwaarschijnlijk bekende namen uit de Nederlandse wetenschappelijke wereld van die tijd (zoals prof. dr. B.C.P. Jansen en prof. ir. A.M. Sprenger). Dit document biedt een inkijkje in de vorming van het Nederlandse onderzoeksbeleid in de periode rond de Tweede Wereldoorlog. De referentie naar de "Directeur-Generaal van Voedselvoorziening" en de "crisiswetten" duidt op een tijd van schaarste of economische herstructurering. De discussie weerspiegelt de overgang van versnipperd onderzoek naar een meer gecoördineerd nationaal systeem, waarbij de verhouding tussen de overheid, de wetenschap (zoals de Landbouwhogeschool Wageningen) en het bedrijfsleven (zoals de Staatsmijnen) werd gedefinieerd. De vergelijking met Nederlands-Indië toont aan hoe koloniale bestuursvormen dienden als referentiekader voor binnenlands beleid. A.M. Sprenger B.C.P. Jansen Dols acht (De heer) Straub deelt (De heer)