Archief 745
Inventaris 745-360
Pagina 368
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Brief (Afschrift)

15 mei 1941 Van: Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding (Amsterdam-C.)

Origineel

Brief (Afschrift) 15 mei 1941 Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding (Amsterdam-C.) A F S C H R I J F T .

NEDERLANDSCH INSTITUUT VOOR VOLKSVOEDING.
Ingen.no. 41 A 81/566.

                                Amsterdam-C., 15 Mei 1941.

                Aan den Weledelgeboren Heer de Mooij A.Czn.,
                Secretaris van de Voedingsorganisatie T.N.O.,
                van Alkemadelaan 9,
                <u>'s-G R A V E N H A G E .</u>

Hooggeachte Heer de Mooij,

    Ingevolge onze afspraak aan het einde van de vergadering op 29 April j.l. heb ik het genoegen U een nadere uitwerking toe te zenden van mijn opmerkingen op de vergadering over de functie, die naar mijn meening het Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding zou kunnen vervullen bij de toepassing van de nieuwe voedingsleer op de problemen van den land- en tuinbouw.

    Ik meen, dat de voedingsleer nu wel zóó ver ontwikkeld is, dat toepassing van de reeds bekende resultaten op land- en tuinbouw mogelijk en dan ook uitermate gewenscht is. Bij het selecteeren moet men niet meer alleen de criteria gebruiken: groote opbrengst per H.A., bestendigheid tegen ziekten, enz., maar ook de voedingswaarde, vooral ook het gehalte aan vitamines van de producten. Tot nu toe brengt dit geen geld op voor den landbouwer, zooals de heer van der Helm opmerkte, maar ik meen, dat dit wel spoedig zal veranderen. In alle geval is het uit een oogpunt van volksvoeding van belang producten met een zoo hoog mogelijke voedingswaarde te kweeken.

    Bij dit alles moet men echter niet uit het oog verliezen, dat de quaesties niet zoo eenvoudig zijn, als het misschien zou lijken. Het is mogelijk, dat een varieteit, die rijk is aan één vitamine, juist arm is aan een andere belangrijke stof. Dan zal men moeten kiezen, en bij die keuze o.a. rekening moeten houden met de vraag van welk vitamine hier te lande het grootste gevaar voor deficientie bestaat. Verder is van groot belang of de vitamines bestand zijn tegen de gewone huishoudelijke, eventueel industrieele verwerking. Zoo hebben wij bij het nagaan van het aneurine-gehalte van aardappelen gezien, dat de meeste soorten bij het koken het grootste gedeelte van het aneurine behouden, dat echter een enkele soort bijna alles aan het kookwater afgeeft.

    Ook weten we nu, dat we nog lang niet alle waardevolle bestanddeelen van onze voedingsmiddelen kennen. Zoo heeft de margarine-industrie aan haar product extra vitamine A en vitamine D toegevoegd, die ook in boter voorkomen. Deze toevoeging is inderdaad van groot belang voor de vitamine A-voorziening van onze bevolking. Bij het onderzoek der werkloozen-voeding hebben wij b.v. gezien, dat een groot aantal werkloozen alleen door het gebruik van gevitamineerde margarine voldoende vitamine A tot zich nam. Verder onderzoek van Dr. Boer in mijn laboratorium heeft nu echter doen zien, dat de voedingswaarde van gevitamineerde margarine nog niet gelijk is aan die van boter; dat er in boter waarschijnlijk nog tenminste één ander onbekend vitamine behalve vitamine A en D voorkomt, terwijl het vitamine D van boter niet gelijk is aan een van de reeds bekende vitamines D.

    Er zal dus ook hier te lande fundamenteel wetenschappelijk werk over voeding verricht moeten worden, óók met het oog op de toepassing in de practijk. Gaarne wil het Nederlandsch Instituut
                                                           voor In deze brief pleit het *Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding* voor een paradigmashift in de landbouw: de focus moet verschuiven van kwantiteit (opbrengst per hectare) naar kwaliteit (voedingswaarde en vitaminegehalte). De schrijver onderbouwt dit met drie kernpunten:
  1. Selectiebeleid: Landbouwproducten moeten geselecteerd worden op hun vitaminegehalte, waarbij rekening gehouden moet worden met de specifieke tekorten (deficiënties) die in Nederland voorkomen.
  2. Bereidingsverlies: Het onderzoek naar het 'aneurine-gehalte' (vitamine B1) in aardappelen toont aan dat de voedingswaarde sterk afhankelijk is van hoe een ras reageert op koken.
  3. Synthetisch vs. Natuurlijk: De auteur bespreekt de verrijking van margarine met vitamine A en D. Hoewel dit essentieel is voor de volksgezondheid (met name voor werklozen), stelt hij dat boter nog steeds superieur is vanwege nog onontdekte voedingsstoffen.

De toon is formeel-wetenschappelijk en getuigt van een sterk maatschappelijk engagement met betrekking tot de volksgezondheid. De brief dateert van mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Voedselvoorziening en volksgezondheid waren in deze periode cruciale dossiers. Het Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding, onder leiding van de bekende hoogleraar B.C.P. Jansen (de ontdekker van vitamine B1), speelde een sleutelrol in het monitoren van de voedingstoestand van de bevolking.

De verwijzing naar het onderzoek onder "werkloozen" refereert aan de grote sociale ongelijkheid in die tijd; vitaminegebrek was een reëel risico voor de armste lagen van de bevolking. De samenwerking met TNO (Voedingsorganisatie T.N.O.) onderstreept de poging om wetenschappelijke inzichten direct te vertalen naar praktisch beleid in de landbouw- en voedingsmiddelensector tijdens de oorlogsjaren. De genoemde Dr. Boer is waarschijnlijk de onderzoeker J. Boer, die destijds veel publiceerde over de groeibevorderende factoren in boter.

Samenvatting

In deze brief pleit het Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding voor een paradigmashift in de landbouw: de focus moet verschuiven van kwantiteit (opbrengst per hectare) naar kwaliteit (voedingswaarde en vitaminegehalte). De schrijver onderbouwt dit met drie kernpunten:

  1. Selectiebeleid: Landbouwproducten moeten geselecteerd worden op hun vitaminegehalte, waarbij rekening gehouden moet worden met de specifieke tekorten (deficiënties) die in Nederland voorkomen.
  2. Bereidingsverlies: Het onderzoek naar het 'aneurine-gehalte' (vitamine B1) in aardappelen toont aan dat de voedingswaarde sterk afhankelijk is van hoe een ras reageert op koken.
  3. Synthetisch vs. Natuurlijk: De auteur bespreekt de verrijking van margarine met vitamine A en D. Hoewel dit essentieel is voor de volksgezondheid (met name voor werklozen), stelt hij dat boter nog steeds superieur is vanwege nog onontdekte voedingsstoffen.

De toon is formeel-wetenschappelijk en getuigt van een sterk maatschappelijk engagement met betrekking tot de volksgezondheid.

Historische Context

De brief dateert van mei 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Voedselvoorziening en volksgezondheid waren in deze periode cruciale dossiers. Het Nederlandsch Instituut voor Volksvoeding, onder leiding van de bekende hoogleraar B.C.P. Jansen (de ontdekker van vitamine B1), speelde een sleutelrol in het monitoren van de voedingstoestand van de bevolking.

De verwijzing naar het onderzoek onder "werkloozen" refereert aan de grote sociale ongelijkheid in die tijd; vitaminegebrek was een reëel risico voor de armste lagen van de bevolking. De samenwerking met TNO (Voedingsorganisatie T.N.O.) onderstreept de poging om wetenschappelijke inzichten direct te vertalen naar praktisch beleid in de landbouw- en voedingsmiddelensector tijdens de oorlogsjaren. De genoemde Dr. Boer is waarschijnlijk de onderzoeker J. Boer, die destijds veel publiceerde over de groeibevorderende factoren in boter.

Kooplieden in dit dossier 100

A. Jansen Nieuwmarkt 469.77
A. Jansen 6.13
Andere knol- en wortelgewassen
C. Gottmann 24.73
76 jaar) 110
76 jaar) 236
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
Cel No. nuttige inhoud ...... M$^3$. spek of varkensvl.
C. Dienst 1.29
De Olmenhorst
F. Barends 2.42
Alle 100 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 6