Archiefdocument
Origineel
17 januari 1941 G. G. Prinsch, Egelantierstraat No 5 No. 72/45/1 M.1941 3/2
A'dam 17/1 1941
Weledele Heer
Bij deze had hij ondergetekende een vriendelijk
verzoek aan u. Daar het geregeld voorkomt
dat er in tuindorp Oostzaan Vrijdags avondt
nog tot tien uur gevent wordt met bloemen
door de Menschen met en zonder vergunning
en hij die vergunning wellicht hebben lopen
toch luidkeels te roepen met een zonder vergunning
wat ook al niet mag. en daar het toch
verboden is na achtuur gelijk de winkelsluiting
te venten op de openbare weg dat daar dan
de Politie niets aan doet. Zekeren Smidt ook
een vergunning houder van noord heeft er ook
al over geklaagt tegen de Politie en hij kreeg
ten antwoord het is broodneid. maar ik
zeg het is voor je recht op komen
Hopende dat door u bemiddeling
hier verandering in mag komen
Noemt hij zich G G Prinsch
Egelantierstraat No 5
72 De brief is geschreven in een net, doch enigszins archaïsch handschrift. De schrijver hanteert de derde persoon ("ondergetekende", "noemt hij zich") om zichzelf aan te duiden, wat destijds gebruikelijk was in formele correspondentie met de overheid. De tekst bevat enkele grammaticale onvolkomenheden en eigenzinnige spelling (zoals "avondt", "broodneid" in plaats van broodnijd).
De kern van de klacht is dat er op vrijdagavonden tot 22:00 uur bloemen worden verkocht op straat in Tuindorp Oostzaan, terwijl de winkelsluiting om 20:00 uur is. De schrijver ergert zich aan het luidruchtige gedrag van de venters en het feit dat de politie niet handhaaft. Een eerdere klacht van een andere vergunninghouder (Smidt) werd door de politie afgedaan als "broodneid" (concurrentienijd), maar de briefschrijver ziet het als een principiële kwestie van rechtshandhaving. Het document dateert van januari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode waren regels omtrent handel en spertijden (hoewel de algemene spertijd vaak later was) strikt, maar de economische nood dwong veel mensen tot informele handel. Tuindorp Oostzaan was een relatief nieuwe arbeiderswijk in Amsterdam-Noord. De verwijzing naar de "winkelsluiting" duidt op de naleving van de Winkelsluitingswet. Het feit dat de politie spreekt van "broodneid" suggereert dat men in die tijd de onderlinge concurrentie tussen kleine handelaren die probeerden het hoofd boven water te houden, goed kende. De brief is een voorbeeld van hoe burgers de autoriteiten inschakelden om orde en regelmaat in hun wijk af te dwingen.