Handgeschreven conceptbrief of interne memo.
Origineel
Handgeschreven conceptbrief of interne memo. 20 augustus 1941. [Linksboven in rood potlood:] 72/54/1
[Midden boven:] W-h.M
Ik heb de eer U hierbij
toe te zenden een afschrift
van een rapport d.d. 19 dezer [overschreven over "19/8"]
van den controleur van mijn
dienst C. G. J. Lak, die
belast was met een onderzoek
[doorgehaald: naar aanleiding van een]
door A. C. Boekelman, standplaatshouder,
ingediende klacht (bijlage I),
[De volgende regels zijn doorgehaald:]
Ik heb hiervan bericht
Hoewel zie ik de zaak
voor de heropening der
desbetreffende onderneming
niet met [onleesbaar] verzoek
mij ter zake met beleefd
verzoek mij ter zake
nader te instrueeren.
20-8-'41
[Ondertekening, initialen:] CH [met een lange pennestreek onderstreept] De tekst is een formeel schrijven waarin de verzender een rapport aanbiedt aan het bureau van de Wehrmachtbefehlshaber. Het rapport betreft een onderzoek uitgevoerd door controleur C. G. J. Lak naar een klacht van een zekere A. C. Boekelman. Boekelman wordt omschreven als 'standplaatshouder', een term die destijds verwees naar personen met een vergunning voor een vaste plek in de openbare ruimte, zoals taxichauffeurs op een standplaats of markthandelaren.
Het document is duidelijk een concept, getuige de vele doorhalingen in het middenstuk. De schrijver worstelt met de formulering van zijn eigen advies of standpunt, en besluit uiteindelijk de tekst te beperken tot het sec aanbieden van de stukken met het verzoek om nadere instructies ("verzoek mij ter zake nader te instrueeren"). De toon is uiterst onderdanig en formeel ("Ik heb de eer U..."), passend bij de hiërarchische verhoudingen tijdens de bezettingsjaren. Dit document stamt uit augustus 1941, de periode waarin de Duitse bezettingsmacht haar grip op de Nederlandse samenleving en economie verstevigde. De adressering aan "W-h.M" verwijst naar het hoogste militaire gezag in Nederland: de Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden (General Friedrich Christiansen).
Hoewel de klacht van een 'standplaatshouder' op het eerste gezicht een lokale, civiele kwestie lijkt, suggereert de betrokkenheid van het kantoor van de Wehrmachtbefehlshaber dat de zaak ofwel de openbare orde raakte, ofwel betrekking had op vorderingen of regels die door de bezetter waren opgelegd. Dergelijke documenten zijn vaak terug te vinden in archieven die te maken hebben met de economische opsporingsdiensten of de afwikkeling van klachten tegen het bezettingsbestuur. C. Boekelman J. Lak