Doorslag van een ambtelijke waarschuwingsbrief/betalingsherinnering.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke waarschuwingsbrief/betalingsherinnering. 24 oktober 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). [Handgeschreven linksboven:]
7.50 28/10 ’41 Bet.
10.-- 27/10 per giro uit
lo.-- 20/10 ..
[Handgeschreven rechtsboven:]
M. Müller
[Getypt:]
Gezonden aan : A.J.Roger - Lindengracht 256 f 4,01
M.Cohen - Waterlooplein 51 f 10,12
85/1/43 H 24 October 1941.
Hiermede breng ik onder Uw aandacht, dat U op 18 Oc-
tober jl. terzake van het plaatsen van kramen e.d. op de
markten een bedrag van f aan mijn dienst verschuldigd
was.
Ik geef U thans alsnog de gelegenheid dit bedrag
binnen vier dagen na dato dezes te betalen bij den kassier van
mijn dienst, bij gebreke waarvan ik het Gemeentebestuur zal voor-
stellen de U verleende vergunning in te trekken.
De Directeur, Dit document is een formele sommatie aan twee marktkooplieden in Amsterdam. De toon is dwingend en bureaucratisch; de directeur dreigt met het intrekken van de marktvergunning als de verschuldigde bedragen (respectievelijk 4,01 en 10,12 gulden) niet binnen vier dagen worden voldaan. De handgeschreven aantekeningen in de linkerbovenhoek lijken latere administratieve verwerkingen van betalingen aan te duiden, wat suggereert dat dit exemplaar als dossierstuk werd gebruikt om de opvolging te monitoren. De naam 'M. Müller' rechtsboven verwijst waarschijnlijk naar de toenmalige directeur van de marktwezen-dienst. De datum van het document, oktober 1941, plaatst de brief midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locaties (Lindengracht en Waterlooplein) zijn iconische Amsterdamse marktlocaties. Met name de vermelding van M. Cohen aan het Waterlooplein 51 is historisch relevant; het Waterlooplein lag in het hart van de Joodse buurt. In 1941 werden de beperkingen voor Joodse burgers door de bezetter steeds nijpender. Sinds september 1941 mochten Joden alleen nog op speciaal aangewezen 'Joodse markten' staan. Een dreigement om een vergunning in te trekken was in deze context voor een Joodse koopman extra precair, omdat hun bestaansmiddelen reeds systematisch werden ingeperkt. Het document toont hoe de gemeentelijke bureaucratie ook tijdens de bezetting onverstoord bleef doorwerken in de handhaving van regels en vergoedingen.