Officiële ambtelijke brief (doorslag op archiefpapier).
Origineel
Officiële ambtelijke brief (doorslag op archiefpapier). 24 mei 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen). U. Muller
HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
85/13/2 M. 24 Mei 1941.
Intrekking kramenvergunning
ten name van Th.Jonker.
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat Th.Jonker, 2e
Oosterparkstraat 121 alhier, wien op 3 April 1939 onder no.811 L.M.
1938 door Burgemeester en Wethouders vergunning werd verleend tot het
plaatsen van kramen op de markt Dapperstraat, mij heeft medegedeeld,
dat hij met ingang van 19 Mei 1941 niet langer van de hem verleende
vergunning gebruik maakt; ik heb mitsdien de eer U beleefd te ver-
zoeken te willen bevorderen, dat bedoelde vergunning door den Regee-
ringscommissaris voor Amsterdam met ingang van vorenvermelden datum
wordt ingetrokken.
De Directeur, * Onderwerp: De brief formaliseert het verzoek tot intrekking van een marktvergunning voor de Dappermarkt op naam van Th. Jonker, wonende aan de 2e Oosterparkstraat 121.
* Bestuurlijke structuur: Het document weerspiegelt de veranderde machtsverhoudingen tijdens de bezetting. Waar de vergunning in 1939 nog werd verleend door het college van "Burgemeester en Wethouders", moet de intrekking in 1941 worden bekrachtigd door de "Regeringscommissaris voor Amsterdam". Dit was Edward Voûte, die door de Duitse bezetter was aangesteld nadat de democratische gemeenteraad buitenspel was gezet.
* Terminologie: Het gebruik van woorden als "mitsdien" en de hoffelijkheidsvormen ("heb ik de eer U te berichten") zijn kenmerkend voor de ambtelijke correspondentie uit die periode. De datum van deze brief, 24 mei 1941, valt midden in de periode waarin de Duitse bezetter de grip op het dagelijks leven in Amsterdam verstevigde. De Dappermarkt ligt in Amsterdam-Oost, een buurt die destijds een grote Joodse populatie kende. In de loop van 1941 werden steeds meer beperkingen opgelegd aan Joodse marktkooplieden; zij werden uiteindelijk geweerd van de reguliere markten. Hoewel de brief vermeldt dat de heer Jonker zelf heeft medegedeeld niet langer gebruik te maken van de vergunning, moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de toenemende druk en de uitsluiting van bepaalde bevolkingsgroepen uit het economische verkeer. Of Th. Jonker zelf slachtoffer was van deze maatregelen of om andere redenen stopte, is uit dit specifieke document niet met zekerheid op te maken, maar de administratieve afhandeling via de regeringscommissaris is een direct gevolg van de bezettingssituatie.