Archiefdocument
Origineel
11 maart 1941 De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten) Den Heer H. Brander, Zwanenburgwal 66, Amsterdam-Centrum extra
HG.
den Heer H.Brander,
Zwanenburgwal 66,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 3.
86/7/2 M.
11 Maart 1941.
Naar aanleiding van Uw brief ingekomen op 4 Maart jl. bericht ik U, dat U slechts vrijstelling van betaling van marktgeld voor de markten Waterlooplein en Mosplein kan worden verleend, indien U mij per omgaande een verklaring van de administratie van het ziekenhuis, waarin U is opgenomen, doet toekomen, waaruit moet blijken sedert wanneer U in dit ziekenhuis is opgenomen, terwijl U er tevens voor moet zorgen, dat Uw legitimatiekaarten voor bovengenoemde markten te mijnen kantore worden ingeleverd.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke correspondentie van een Amsterdamse gemeentelijke instantie aan een marktkoopman. De toon is strikt bureaucratisch. De koopman, de heer Brander, heeft verzocht om vrijstelling van staangeld (marktgeld) omdat hij in het ziekenhuis ligt. De directeur stelt harde voorwaarden aan dit verzoek: er moet direct ("per omgaande") een officieel bewijs van het ziekenhuis komen en de koopman moet zijn legitimatiebewijzen voor de markten inleveren.
De genoemde locaties zijn historisch interessant: het Waterlooplein was (en is) een bekende markt in het centrum, terwijl het Mosplein zich in Amsterdam-Noord bevindt. De eis om legitimatiekaarten in te leveren suggereert dat men streng controleerde op het gebruik van marktplaatsen, zeker als de rechtmatige houder niet aanwezig kon zijn. De datum van de brief, 11 maart 1941, is van groot historisch belang. Nederland was op dat moment bezet door nazi-Duitsland. Slechts enkele weken voor deze brief vond de Februaristaking (25-26 februari 1941) plaats, het eerste grootschalige protest tegen de Jodenvervolging in Europa.
Het adres van de ontvanger, Zwanenburgwal 66, lag in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. De markt op het Waterlooplein was van oudsher een plek waar veel Joodse handelaren werkten. In de loop van 1941 werden de maatregelen tegen Joodse burgers steeds strenger; Joden werden later dat jaar geweerd van de reguliere markten en mochten alleen nog handelen op speciaal aangewezen "Joodse markten".
Of de heer H. Brander Joods was, kan uit dit document alleen niet met zekerheid worden vastgesteld, maar de locatie en de tijdgeest maken dit zeer aannemelijk. Deze brief illustreert hoe het dagelijks leven en de bureaucratie doorgingen te midden van de escalerende vervolging en oorlogsdreiging. Het tijdelijk inleveren van papieren wegens ziekte kon in deze periode onbedoeld leiden tot het definitief verliezen van iemands bestaansmiddelen onder het regime van de bezetter.